De KNAW heeft teveel invloed van juristen

De KNAW publiceerde op 13 maart 2018 het antwoord – door hen “briefadvies” genoemd – op de motie van Karin Straus en Pieter Duisenberg over zelfcensuur en diversiteit in wetenschap. Zie ook dit bericht in de Volkskrant.

Dit antwoord van de KNAW luidt (p11):

“Naar aanleiding van de motie Straus-Duisenberg heeft de KNAW zich de vraag gesteld of er aanleiding is om ons in Nederland zorgen te maken over zelfcensuur en beperking van diversiteit aan perspectieven. Daarnaast heeft de KNAW zich gebogen over de vraag op of er specifiek in Nederland mechanismen bestaan die de vrijheid van wetenschapsbeoefening belemmeren en waarover we ons extra zorgen zouden moeten maken. In algemene zin is de KNAW van oordeel dat het antwoord op beide vragen ontkennend kan zijn. Wel zijn voortdurende alertheid en gepaste zorg noodzakelijk.”

Aan het antwoord hebben ook niet-juristen meegewerkt, maar de invloed van juristen blijkt dominant. Ik heb gangbaar grote waardering voor juristen – wanneer zij van deskundigheid blijk geven – maar heb er ook een groot probleem mee wanneer zij zich gaan bemoeien met de wetenschap – waar ze niet voor zijn opgeleid. Voorzitter van de KNAW-commissie was prof. mr. Nico Schrijver. Op zijn minst heeft Schrijver onvoldoende weerwerk tegen de juristen geboden, wellicht omdat het ook zijn eigen achtergrond is.

Laten we het langslopen.

Blinde juristen

Misschien spreekt de KNAW de waarheid dat ze het probleem niet zien. Wanneer ze het niet zien, dan zien ze het niet.

Wie blinden vraagt naar de kwaliteiten van schilderijen van Rembrandt of Van Gogh, krijgt het antwoord dat men verdient. Een eerlijke blinde zal zeggen blind te zijn, en alleen een vaag idee te hebben van wat het is om “te zien”. Een juridische blinde kan ieder wenselijk antwoord onderbouwen.

De KNAW zondigt zo tegen de eigen stelregel in hun voetnoot 4 op pag 10:

“Een wetenschapsbeoefenaar draagt er zorg voor dat zijn deskundigheid voor het uitoefenen van zijn taken op peil blijft. Hij aanvaardt geen taken waarvoor hij de nodige deskundigheid mist. Zo nodig geeft hij de grenzen van zijn deskundigheid aan.”

Prof. mr. Nico Schrijver had moeten melden dat hij vanuit zijn achtergrond geen empirisch wetenschapper is, en derhalve de empirische vraag van Straus en Duisenberg niet kon beantwoorden.

In het kamerdebat was er veel aandacht voor mogelijke politieke voorkeuren van onderzoekers. Voorzitter Schrijver wijst aandacht daarvoor af. In plaats van dat hij dit gewoon zo zegt en het daarbij laat, maakt hij er gebruik van dat de motie niet expliciet over politieke voorkeuren spreekt. Vervolgens zegt hij alleen naar de tekst van de motie te kijken, en spreekt verder in ruime zin over “vooringenomenheid”. Hier spreekt een behoefte aan juridische rechtvaardiging die sterker dan waarheidsvinding is.

Tevens richt de KNAW zich op de “academische vrijheid”, en sluit derhalve andere kennisinstellingen, zoals de planbureau’s van de overheid, uit. “In de beantwoording van deze vragen beperkt de KNAW zich tot wetenschappelijk onderzoek aan academische instellingen.” Onder de academische vrijheid valt ook de vrijheid van de wetenschapper om een eigen weg in te slaan, terwijl onderzoek bij de planbureau’s is gebonden aan maatschappelijke eisen. Maar ook de KNAW ontkomt niet aan zulke externe eisen, zoals bij contract-research. In alle gevallen blijft het wel om wetenschap en de vrijheid van denken gaan. Het is derhalve een raadsel waarom de KNAW niet-universitair onderzoek uitsluit. Omdat er geen inhoudelijke reden voor is, moet het wel weer de juridische dimensie zijn.

De Tweede Kamer krijgt dus geen onderbouwd advies

Het enige juiste antwoord dat de KNAW had kunnen geven was het onderzoek op te starten dat het advies mogelijk zou maken dat de Tweede Kamer heeft gevraagd. Wetenschappelijk correct was geweest om de Tweede Kamer daarna die relevante informatie te geven. Maar de juristen wonnen het van de empirische wetenschap. De KNAW zond de Tweede Kamer een antwoord dat zich zo laat vertalen dat de Tweede Kamer zich niet met de wetenschap moet bemoeien, behalve dan geld geven.

De KNAW legt vervolgens de bekende wegen uit, met hoe het formeel is, of zou moeten zijn geregeld, en sluit verder de ogen voor de praktische uitvoering van de regelgeving. Het KNAW-briefadvies blijkt zo knollen voor citroenen, een kat in de zak, en de KNAW stuurt de Tweede Kamer met een kluitje in het riet.

Negeren van bestaande signalen

KNAW:1 stelt: “Er zijn geen signalen dat er structureel sprake is van een beperking van deze vrijheid.” Maar dan geldt: (1) Ofwel men negeert bijv. de melding van Joop Hartog dat er sprake was van collectieve zelfcensuur t.a.v. migratie, zie hier, (2) ofwel men acht zulke meldingen alleen anecdotisch zodat diepgaand onderzoek nodig zou zijn, maar verricht dit diepgaande onderzoek niet: en maakt zodoende misbruik van het gegeven dat zulk diepgaand onderzoek nog niet bestaat. Het ontbreken van helderheid over zelfcensuur was juist ook aanleiding tot de motie.

Wat de KNAW doet is als zeggen dat er geen sprake van moord kan zijn omdat er geen lijk is, en dat er geen aanleiding is om in de kast te kijken omdat er geen sprake van moord is.

Juristen versus A.D. de Groot

KNAW:1 punt 1 stelt:

“De beginselen van behoorlijke wetenschapsbeoefening ‒ bestaande uit juridische kaders, gedragscodes en institutionele mechanismen ‒ vormen tezamen een goede basis voor het waarborgen van de vrijheid van wetenschapsbeoefening in Nederland.”

Dit is derhalve weer zeer juridisch gedacht, door juristen die vanuit hun opleiding niet kunnen weten wat wetenschap is, terwijl juist A.D. de Groot en H. Visser (2003) in Het forumwaarmerk van wetenschap, gepubliceerd door de KNAW, betogen dat er nog veel werk aan de winkel is.

KNAW:1 stelt:

“Aanbeveling (actor: KNAW): Stimuleer de formulering van een expliciete omschrijving van academische vrijheid en vrijheid van wetenschapsbeoefening in nationale en internationale regelgeving en gedragscodes. Agendeer het thema vrijheid van wetenschapsbeoefening op Europees niveau via de Europese koepelorganisaties waar de Akademie lid van is.”

Juristen denken in termen van omschrijving terwijl wetenschappers doen. Het is toch werkelijk geweldig wat de juristen allemaal hebben omschreven wat Aristoteles gewoon deed. Je zou kunnen proberen te stellen dat Popper, Kuhn en A.D. de Groot ook e.e.a. “omschreven”, maar methodologie van wetenschap is toch wat anders dan waar juristen mee bezig zijn.

Er bestaat een gapend gat t.a.v. de “gedragscodes”. Deze zijn gangbaar opgesteld met het oog op “integriteit van wetenschap”. Zij hebben het effect dat zaken onbespreekbaar kunnen worden doordat kwesties meteen in de sfeer van (persoonlijke) integriteit worden getrokken. Zie hier over het falen van Pieter Drenth en ALLEA. Voor het bespreekbaar maken van zaken en voor het aanspreekbaar maken van wetenschappers is juist het forum wezenlijk.

Peer review kan pseudo-science verhullen

KNAW:7 stelt:

“Ondanks kritiek op het systeem, is peer review tot nu toe de enige breed geaccepteerde methode voor de validatie van subsidieaanvragen en uitkomsten van onderzoek. Wel zijn in het proces verbeteringen mogelijk.”

Peer review is wellicht breed geaccepteerd maar het is ook zeer ondeugdelijk. Het is een effect en geen oorzaak. Natuurkundigen doen wetenschap en gebruiken peer review, maar wanneer pseudo-wetenschappers tijdschriften oprichten en elkaar gaan beoordelen dan wordt het daardoor nog geen wetenschap. Zie mijn advies aan VSNU voor een fundamenteel bredere aanpak van het publicatieproces.

De juristen van de KNAW denken dat wanneer Ivanka Trump een zilveren medaille omhangt, ze ook het kampioenschap heeft gewonnen. Zelfs Ivanka weet wel beter.

2018-02-25-Ivanka

Lauren Gibbs offers Ivanka Trump to wear her silver medal. “I feel like this almost is like trying on someone’s wedding band,” said Trump. Screenshot from Source

De kern blijft dat wetenschappers zich verantwoorden voor het forum, en dan dient dat forumwaarmerk ook valide te zijn. De KNAW maakt melding van “onderzoeksscholen”, maar toont dan een te grote tolerantie voor clusters van pseudo-wetenschap, vooral, denkelijk, vanuit het juridisch denken, dat ooit benoemde “wetenschappers” nu eenmaal benoemd zijn. De KNAW vindt ontslagprocedures vervelend, en de kwaliteit van wetenschap moet daar dan maar voor wijken.

Negeren van vooringenomenheid die is aangetoond

Dan lezen we op p10 toch weer een andere structurele oorzaak voor zelfcensuur: “Peer review is een goed systeem maar vooringenomenheid en zelfcensuur van onderzoekers en schoolvorming kunnen een risico vormen.” Maar peer review is juist geen goed systeem wanneer men elkaar de publicaties toeschuift.

Zie mijn advies tot ontslag van de hoogleraren economie (2005), zie mijn deconstructie van het onderzoek aan onderwijs in wiskunde (2009, 2015) en het onverantwoord experiment op kinderen (2015), zie mijn deconstructie van de politicologie over kiesstelsels (2017, 2018). Wanneer maatschappelijke misstanden bestaan dan loont het om óók door te graven naar wat er daaraan wetenschappelijk niet klopt.

Opvallend is dat deze publicaties van mij op de literatuurlijst van de KNAW ontbreken, terwijl de KNAW peer review hadden kunnen doen door deze nu eens zorgvuldig te lezen. Hun briefadvies is echter geen resultaat van peer review maar een product van hun eigen kokervisie en juridische focus.

Waar ik het werk van zulke universitair benoemden aan mijn eigen peer review heb onderworpen, en tot deconstructie kom dat zij geen wetenschap doen, dan gaat de KNAW dit gewoon negeren, terwijl het toch die peer review is die de KNAW zo toejuicht. Men denkt daar niet logisch na, en houdt alleen juridisch vast aan oude stramienen.

Meer geld vragen

KNAW:8 maakt van de gelegenheid gebruik om meer geld te vragen: “dat innovatieve maar wetenschappelijk, maatschappelijk en/of politiek risicovolle projecten nauwelijks meer voor financiering in aanmerking komen”. Stel dat je voor wetenschap eerst een budget van 100 hebt, en daarna wordt dit 90. Dan is dit allemaal toch nog wel wetenschap, mag je hopen. Dus dit vragen om meer geld heeft niets te maken met het beantwoorden van de motie van Straus en Duisenberg. Het is ongepast om dit er wel van te maken.

Toch blijken er structurele bronnen voor zelfcensuur

Terwijl men hierboven structurele invloed afwees, blijkt er t.a.v. de geldstromen wel sprake te zijn van een structurele invloed:

“Enerzijds kan externe sturing de verankering van de wetenschap in de samenleving versterken en zelfcensuur binnen de wetenschap voorkomen. Anderzijds kan het als gevolg hebben dat sommige onderwerpen onderbelicht raken omdat er in de samenleving (tijdelijk) minder belangstelling voor bestaat, terwijl daar uit wetenschappelijk inhoudelijk oogpunt geen reden toe is.”

Hoezo kan de KNAW nu plotseling wel spreken over zo’n bron van zelfcensuur ? Het werd toch juist ontkend ? De diepere oorzaak moet in juristerij liggen, waarin men op magische wijze zowel A als niet-A kan beweren, waarna de rechter plots uit de hoge hoed een vonnis velt.

Benoemingen

KNAW:9 wijst op het benoemingsbeleid en profielen voor leerstoelen. Momenteel wordt voor vaste aanstellingen reeds een proefschrift geëist. Deze zijn gangbaar samengesteld uit artikelen die eerder peer review zijn verschenen. De KNAW impliceert dat deze eisen onvoldoende zijn, en dat extra zorg nodig is ! Klaarblijkelijk zijn proefschriften onvoldoende voor de promovendi om te leren wat wetenschap is ! Maar dit ondergraaft volledig wat de KNAW eerder heeft gesteld. Het erge is dat de KNAW niet eens doorheeft hoezeer men zichzelf in de voet schiet.

Affaire Buikhuisen

KNAW:10 verwijst naar de affaire Buikhuisen: “Nu, enkele decennia later, is onze visie hierop veranderd en zou dergelijk onderzoek waarschijnlijk wel geaccepteerd zijn (…).” Als zodanig toont dit dat de KNAW erkent dat er maatschappelijke modes en taboes kunnen zijn. De afwijzing van de gedachte achter de motie van Straus en Duisenberg doet dan vreemd aan. De KNAW zou dan beter op zoek kunnen gaan naar huidige taboes, en dan niet slechts in de maatschappij maar bijvoorbeeld ook eens in de boezem van de wetenschappelijke wereld zelf. Het is curieus dat de KNAW zulke niet kan vinden, terwijl ik er al enkele heb aangedragen.

Terzijde: Leids hoogleraar statistiek Jacqueline Meulman meldde (persoonlijke communicatie) dat het onderzoek van Buishuisen was stopgezet wegens ondeugdelijke statistiek. Het is vreemd dat de KNAW daar niet van weet: mogelijk is er een taboe op goede statistiek ? Maar Meulman is mijzelf ook onbetrouwbaar gebleken.

Zeggen te leren, maar feitelijk niet leren

KNAW:10 spreekt een waar woord:

“Wat we kunnen leren van deze affaire, is dat wetenschap en samenleving zorgvuldig om moeten gaan met het spanningsveld tussen waarheidsvinding en het effect van onderzoeksresultaten op de maatschappij. De dialoog tussen wetenschappers onderling en tussen wetenschap en maatschappij is daarbij van groot belang. Een pleidooi voor vrijheid van wetenschapsbeoefening is niet alleen een pleidooi voor het recht om vrijelijk onderzoek te doen en de resultaten daarvan te verspreiden maar ook een pleidooi dat wetenschappers de verantwoordelijkheid nemen het debat met de maatschappij aan te gaan.”

  • Laat de KNAW dan de antwoorden op mijn bovenaangehaalde meldingen van misstanden in de wetenschap aanwijzen. Wanneer zulke antwoorden ontbreken (en zij ontbreken) dan verwacht ik dat de KNAW de conclusie trekt dat hun eigen ware woord ook een uiting van grote hypocrisie is, omdat de KNAW zich niets van die meldingen en het uitblijven van een antwoord aantrekt.
  • Bovendien, terwijl Straus en Duisenberg juist een maatschappelijk signaal geven dat er wat wringt, en er aldus een verzoek aan de KNAW ligt om juist eens die dialoog aan te gaan, dan zou het juiste antwoord liggen in het opstarten van dat diepergravende onderzoek naar zelfcensuur en beperking van diversiteit, in plaats van de Tweede Kamer zoals nu met een kluitje in het riet te sturen.

Kromme begrippen

KNAW:10 spreekt over een “grens” tussen wetenschap en politiek. Het is misschien een jurist die zo denkt. In ieder geval is er niet zo’n “grens” maar het zijn verschillende dimensies.

KNAW:11 verhaspelt: “Vrijheid van wetenschapsbeoefening houdt ook de plicht in tot een rapportage van alle resultaten waartoe het onderzoek leidt.” Hier is “vrijheid van” aan het begin geheel overbodig. De juristen van de KNAW stoppen het er stiekem in omdat het appelleert aan de “academische vrijheid”, waardoor de valkuilen van de contract-research worden verdonkermaand. De werkelijkheid is deze: het gaat om de vrijheid van denken. Wanneer een onderzoeker bij contract-research door de eisen van wetenschap in conflict komt met de opdrachtgever, dan dient de KNAW deze onderzoeker te beschermen – en de juristen van de KNAW willen daar niet aan. Hun witteboordencriminaliteit is dat ze de vereisten van de moderne kennismaatschappij zover mogelijk buiten de poorten van de KNAW willen houden.

Specifiek Nederlands mechanisme

De KNAW zocht ook naar een specifiek Nederlands mechanisme. Willem Frederik Hermans heeft een specifiek Nederlands mechanisme benoemd: de regentenmentaliteit. Soms omschreven als likken naar boven en trappen naar beneden. Het is de vraag of dit in de rest van de wereld werkelijk anders is, want de mens blijft een sociaal wezen. Maar het zou kunnen dat elders in de wereld toch meer respect voor wetenschap bestaat, dus ook: daadwerkelijk blijkend uit respect voor de individuele wetenschapper.

Het is onjuist dat de KNAW voorbijgaat aan dit specifiek Nederlands mechanisme, althans zoals benoemd door WFH, en recentelijk benadrukt door zijn voormalig student-assistent Lucas Kroondijk, als Willem Freselijk Haarmens in de sleutelroman “Zonder Professoren“.

ZonderProfessoren

Wetenschapper en onderzoeksgroep

KNAW:10 erkent:

“Er kan ook sprake zijn van zelfcensuur door de onderzoeker zelf.”

Klaarblijkelijk gingen pagina 1-9 vooral over het collectieve zelf. De klacht van de toenemende individualisering in de samenleving geldt niet voor de wetenschap. Blijkbaar is dit collectieve zelf ook zo dominant in de wetenschap (danwel de juridische perceptie van het gebruik van die term) dat de KNAW er niet echt aan toekomt om het individuele zelf nader uit te werken (of te “omschrijven”).

De motie van Straus en Duisenberg houdt geen rekening met dit juridische onderscheid tussen dit individuele en collectieve zelf. Zij worden welbeschouwd met een collectief kluitje in het riet gestuurd, terwijl de KNAW eerlijker was geweest wanneer men had gemeld dat het individuele zelf juridisch nog wel wordt onderscheiden maar feitelijk is afgeschaft. Bij een goede team spirit beslist de baas van de onderzoeksgroep immers, want zo is het juridisch geregeld.

Tenminste één mooie frase

Wel lezen we op p6 deze mooie frase: “protection from undue influences on their independent judgement”. Precies. De directie van het CPB met zijn voortdurende censuur en intimidatie sinds 1990 pleegt een inbreuk op mijn onbevangen oordeel en hoe anderen dat kunnen ervaren. Gelukkig kan ik mijn onbevangenheid bewaren, maar de directie pleegt wel die censuur en machtsmisbruik. Waar o waar is die “protection” ? Wie in Nederland snapt wat wetenschap is ? De KNAW niet, daar ligt de nadruk op juridica t.a.v. de term “wetenschap”, en dan alleen aan de universiteiten en niet de planbureau’s.

KNAW conclusies

KNAW:11 punt 1: “Er zijn geen signalen dat er structureel sprake is van een beperking van deze vrijheid [van wetenschapsbeoefening].” Dit is een grove onwaarheid. Er is sinds 1990 censuur van wetenschap in Nederland.

KNAW:11 punt 2: Vragen om meer geld.

KNAW:11 punt 3: “Goede afspraken vooraf tussen onderzoeker en opdrachtgever kunnen dit voorkomen.” Wat zijn in ‘s vredesnaam “goede afspraken” ? Is het ambtenarenrecht voor wetenschappelijke medewerkers bij het CPB een “goede afspraak” wanneer dit censuur en machtsmisbruik sinds 1990 toestaat cq. wanneer rechters dit recht verkeerd toepassen ? Of bedoelen de juristen dat iedere wet een “goede afspraak” is omdat het immers wettelijk tot stand is gekomen, cq. dat praktische uitvoering niet relevant is wanneer de afspraak maar “goed” want wettelijk is ?

KNAW:11 punt 4: “Vooringenomenheid van onderzoekers (al dan niet bewust) en ongewenste, vrijheid beperkende schoolvorming kunnen een gevaar vormen voor een adequate wetenschapsbeoefening.” Dat is niet slechts “kunnen” maar is reeds het geval, zie de genoemde gevallen.

KNAW:11 punt 5: “is het van belang om ruimte te bieden”. Kom nog eens om een open deur. “essentieel is dat diversiteit op landelijk niveau ontstaat en dat hoeft lokale schoolvorming dus niet in de weg te staan”. Hiermee verandert men het onderwerp. Het probleem was niet schoolvorming maar pseudo-wetenschap, met zelfcensuur en gebrek aan diversiteit.

KNAW:11 punt 6: “dialoog”. Een gotspe. T.a.v. de censuur van wetenschap sinds 1990 door de directie van het CPB is er geen groter oester dan de KNAW.

KNAW aanbevelingen

KNAW:12 punt 1: Verwar geld met het inhoudelijk probleem.

KNAW:12 punt 2: Negeer de kritiek t.a.v. gedragscodes en ALLEA.

KNAW:12 punt 3: Negeer de kwestie die sinds 1990 loopt, en gebruik de juridische illusie van een “grens” terwijl het om verschillende dimensies gaat.

KNAW:12 punt 4: Vergeet dat wetenschappers ook elkaar kunnen controleren. Geef bestuurders meer macht, in plaats van (zoals de forumtheorie van De Groot wil) de onderzoekers zelf.

KNAW:12 punt 5: Geef juristen meer macht.

Ter afsluiting

Het zal me verbazen wanneer iemand in de Tweede Kamer nog aanstoot aan dit KNAW-briefadvies zal nemen. Karin Straus is geen kamerlid meer en met voor wikipedia onbekende bestemming vertrokken. Pieter Duisenberg is voorzitter van de VSNU geworden – hetgeen mij onjuist lijkt omdat hij onvoldoende achtergrond in wetenschap heeft. Het lijkt erop dat dit alles in juridische schoonheid zal sterven tenzij iemand toch nog iets met dat spannende begrip van “zelfcensuur” wil doen. Welk kamerlid voelt zich aangesproken ? (Thierry Baudet tel ik niet mee want hij vormt een geheel eigen categorie van warhoofd.)

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized

Schrikken van de grote negatieve invloed door het wetenschappelijk falen door ook Hans Daudt

In deze bespreking kijken we naar (1) de keuze van de volksvertegenwoordiging voor de wetgevende macht, en (2) de vorming van een kabinet voor de uitvoerende macht. Die twee zaken hangen samen:

  • Er is het cruciale onderscheid tussen evenredige vertegenwoordiging en districtenstelsel. Bij evenredige vertegenwoordiging heeft een partij met p% van de stemmen in principe ook p% van de zetels, afrondingsproblemen daargelaten. Bij een enkelvoudig districtenstelsel gaat het er alleen om, per district, wie in een district de meeste stemmen heeft (of nog strenger een echte meerderheid), en met de andere stemmen wordt niets gedaan.
  • Bij evenredige vertegenwoordiging moet gangbaar onderhandeld worden over de vorming van een kabinet, wellicht tenzij een partij meteen de meerderheid haalt. Bij een districtenstelsel is de gedachte dat gangbaar direct een meerderheid ontstaat, ook al laat de praktijk in Engeland in de laatste tijd zien dat dit niet per se hoeft.

Met deze gegevens zijn er twee relevante oplossingen:

  • De beste aanpak: Wie onderzoekt wat het beste stelsel zou zijn, komt, via de welvaartstheorie uit de economie, snel uit bij evenredige vertegenwoordiging met een afspiegelingskabinet, d.w.z. een kabinet waarin zoveel mogelijk partijen deelnemen (behalve partijen met extreme visies).
  • De gangbare aanpak: Het is een oude gedachte dat een meerderheidscoalitie zou volstaan. Ook bij evenredige vertegenwoordiging, in Nederland sinds 1917, kan het voor een meerderheid logisch zijn om voorrang te geven aan de eigen politieke visie. Argument daarvoor zijn helderheid en daadkracht, en het niet “verspillen” van tijd aan het zoeken naar een compromis. Die helderheid en daadkracht zijn ook kernargumenten voor het districtenstelsel. Wie de argumenten hiervoor zorgvuldig onderzoekt, ontdekt echter dat dit drogredeneringen zijn.

Ik heb altijd gedacht dat Nederland met zijn evenredige vertegenwoordiging goed bestand was tegen de voorstellen voor het districtenstelsel en de gedachten die daaromtrent spelen. Wel zag ik dat ook Nederland koos voor meerderheidscoalities in plaats van afspiegelingscoalities. Mijn indruk was dat politici dan geen weerstand konden bieden tegen de verleiding om de eigen visie door te drukken. Het verbaasde mij wel dat de oppositie / minderheid die meerderheidsgedachte accepteerde, en niet pleitte voor de vorming van een afspiegelingskabinet, waarin meer ruimte voor diversiteit zou bestaan.

Nu echter kom ik tot de ontdekking dat het denken over het districtenstelsel wel degelijk invloed heeft gehad op het denken in Nederland. Het heeft namelijk het denken in termen van meerderheidscoalities bevorderd. We kunnen de oorzaak hiervan traceren naar de politicologie.

Hans Daudt en Ed van Thijn

In mijn advies aan de Staatscommissie parlementair stelsel leg ik uit dat de “politicologie van kiesstelsels” nog pre-wetenschappelijk is. Deze politicologen gebruiken vage termen en steunen op het algemeen taalgebruik, waardoor zij geen oog voor cruciale verschillen hebben. De laatste week is mij gebleken dat dit ook voor Hans Daudt (1925-2008) gold die als een van de stamvaders van de Nederlandse politicologie telt. Een van diens leerlingen is Ed van Thijn (geb. 1934), die als PvdA-politicus een grote invloed had op de “meerderheidsstrategie” en de stembusakkoorden van die PvdA vanaf circa 1968. Zij volgden het denken in termen van meerderheden zoals gebruikelijk voor het districtenstelsel, in plaats van het denken in termen van afspiegelingskabinetten zoals volgt uit de welvaartstheorie in de economie. De Nederlandse politiek heeft daar grote last van gehad en is er nog niet geheel van hersteld. Anno 2018 heeft Nederland wederom een meerderheidscoalitie en geen afspiegelingskabinet. In het vorige weblog entry besprak ik hoe Jan Pronk (geb. 1940) nog steeds in die termen denkt, en hoe onlogisch dit is. Het is schrikken van de grote negatieve invloed door het wetenschappelijk falen der politicologen en ook door Hans Daudt.

De verleiding van de omgangstaal

Hierboven zagen we dat het (enkelvoudige) districtenstelsel alle stemmen gebruikt om te bepalen welke partij de meeste stemmen heeft, welke partij dan de zetel krijgt. We zagen ook dat verder niets wordt gedaan met de andere stemmen. In wezen worden die weggegooid. Het weggooien van stemmen is in strijd met artikel 21 van de rechten van de mens, dat men in vrijheid een vertegenwoordiger moet kunnen kiezen. Wanneer je op partij A stemt, dan is het bizar om te stellen dat iemand van partij B je vertegenwoordiger wordt. Om die reden is een presidentieel stelsel met direct gekozen “chief executive” ook minder democratisch.

Het is uitermate wonderlijk dat de “politicologie van kiesstelsels” het districtenstelsel ook als “democratie” beschouwt, en niet slechts als “proto-democratie”. Het is alleen historisch verklaarbaar, vanuit het verzet van burgers tegen de aristocratie. Wie in de politicologische literatuur duikt – zie mijn artikel “One woman, one vote. Though not in the USA, UK and France” – ontdekt dat de politicologen verward zijn door traditie, taalgebruik en gebrek aan analytische scherpte. Met drogredeneringen scheppen zij een rationalisatie waardoor ze zelfs gaan beweren dat juist een districtenstelsel een betere democratie zou zijn.

  • Deze politicologen steunen op de omgangstaal, waardoor ze kunnen stellen dat er zowel in Nederland als de USA “verkiezingen” zijn. Wanneer stemmen systematisch worden weggegooid zoals in de USA dan is de omgangstaal versluierend, en moet een wetenschapper juist tegen dat versluierend taalgebruik protesteren. Men kan beter zeggen dat de USA “halve verkiezingen” kent.
  • Er is het onderscheid tussen stemmen voor een enkele zetel, zoals een president, en het stemmen voor volksvertegenwoordigers in een parlement. Bij een keuze voor een president zou men er wellicht vrede mee kunnen hebben dat zo’n helft van de bevolking teleurgesteld raakt. Men moet het stemmen voor een district niet gaan voorstellen als het stemmen voor een president, wanneer de bedoeling een andere is, namelijk het kiezen van een volksvertegenwoordiging. Deze politicologen zeggen dat ze het onderscheid maken maar feitelijk doen ze het niet, want in een (enkelvoudig) districtenstelsel worden de zetels behandeld zoals bij een presidentsverkiezing.
  • Deze politicologen menen dat kiezers bij een districtenstelsel meer kansen hebben om een andere regering te kiezen. De kiezers zouden dan meer macht hebben om het beleid bij te sturen. Dit is het argument van “accountability” (verantwoording, aanspreekbaarheid). Wie goed naar de onderbouwing kijkt constateert dat dit argument niet deugt. Misschien zijn de politicologen in de war tussen enerzijds een enkel district, waar misschien minder dan de helft van de stemmen nodig is om een gekozene weg te sturen, en anderzijds het systeem als geheel ? Voor het systeem als geheel geldt dat er vaak “veilige districten” zijn, bijv. via “gerrymandering“, zodat een regering juist aan de macht kan blijven met een minderheid van de stemmen. Het blijkt dat juist evenredige vertegenwoordiging de grootste verantwoording / aanspreekbaarheid heeft, omdat daarin immers preciezer blijkt hoe de meerderheid erbij staat.

Een tweede punt is het onderscheid tussen het kiezen van de uitvoerende macht (een regering) en het kiezen van een volksvertegenwoordiging (de Kamers). Bij evenredige vertegenwoordiging gaat het om de Kamers, waarbij vervolgens de Tweede Kamer de regering vormt. In de USA wordt ook de president direct gekozen, maar dat leidt vaak tot een botsing van de twee mandaten, waardoor het landsbestuur vaak verlamd raakt. Politicologen kunnen de verwarring hieromtrent vergroten door het een “nadeel” te noemen dat evenredige vertegenwoordiging geen directe en alleen indirecte invloed op de samenstelling van de regering betekent. Dat is zoiets als zeggen dat het een “nadeel” is dat goud niet tegelijkertijd diamant is. Taal is hier heel flexibel maar het is gewoon onzin.

Daudt zag het blijkbaar niet

In het boek “Echte politicologie” (Bert Bakker 1995) blijkt dat Daudt in zijn proefschrift kritisch keek naar het werk van de Engelse en Amerikaanse politicologen ten aanzien van de zwevende kiezer. Blijkbaar was er geen principiële belemmering om kritisch naar zulk werk te kijken. Toch lezen we bij Daudt geen fundamentele kritiek op het verschijnsel dat de Engelsen en Amerikanen hun districtenstelsel superieur achten aan het stelsel met evenredige vertegenwoordiging. In Leiden, en bij de naar de USA verhuisde Arend Lijphart, zien we juist wel een verdediging van de evenredige vertegenwoordiging, maar, opmerkelijk genoeg, vooral met de houding van “het is ook een model” en nog niet het inzicht dat het districtenstelsel juist ondeugdelijk is, en alleen proto-democratisch kan worden geacht.

Hoe Daudt er precies over dacht is alleen nog historisch interessant. Mij gaat het nu om de invloed op het denken in Nederland tot op de dag van vandaag.

Daudt, D66 en Commissie Cals-Donner

In 1966 werd D66 opgericht met de kroonjuwelen van districtenstelsel en direct gekozen premier en burgemeester, waar later nog het referendum werd toegevoegd. D66 deed hiervoor geen wetenschappelijk onderzoek maar keek vooral naar de USA. Na de verkiezingen van 1967 stelde het kabinet De Jong de commissie Cals-Donner in om naar grondwet en kieswet te kijken. In “Echte politicologie” vertelt Daudt (p453-451) dat hij Den Uyl tegenkwam en hem bekende als PvdA-lid toch op D66 te hebben gestemd om een kabinet Den Uyl mogelijk te maken, en dat Den Uyl hem toen voor die commissie voordroeg. Daudt legt ook uit dat bij binnen die commissie een beperkt districtenstelsel en de direct gekozen (in-) formateur verdedigde, maar dat er geen meederheid voor was.

We mogen Cals en Donner dankbaar zijn dat men niet met de dwaling door Hans van Mierlo, D66 en Daudt is meegegaan. Bij de PvdA had Van Thijn meer ruimte om te dwalen. Door zo op het meerderheidsdenken en het vermeende eigen gelijk te hameren, haakten de andere partijen af. Of er anders een tweede kabinet Den Uyl had kunnen komen is hier niet aan de orde. Waar het om gaat is dat de afspiegelingsgedachte in de knel kwam, nl. de gedachte dat alle (acceptabele) partijen aan het landsbestuur zouden meedoen, met een nette scheiding tussen uitvoerende macht en controlerende macht. (Dit is geen “zakenkabinet” want het blijft om politieke functies gaan.)

Bekering ?

In de inleiding tot “Echte politicologie” p29 doet Joop van den Berg (geb. 1941) een waarneming die hij “ironisch” noemt :

“dat Daudts artikel uit 1976 [“De politieke toekomst van de verzorgingsstaat”, 10 jaar na 1966] een ‘bekering’ impliceert, weg van het streven van de ‘Amsterdamse school’ in de politicologie naar een meerderheidsbestel tot dat van de ‘Leidse school’ naar behoud van de Nederlandse consensusdemocratie.”

Mijn probleem hiermee is dat Daudt hiermee met name denkt aan de “Ostrogorski-paradox” die hij samen met Douglas Rae ontwierp en naar Ostrogorski (1854-1921) noemde. Het idee is dat partijen stemmen kunnen verzamelen op specifieke onderwerpen, waarna een meerderheidscoalitie beleid kan voeren waar een meerderheid van de kiezers juist tegen is. Het voorbeeld van Daudt & Rae kent twee partijen, drie onderwerpen, en vier groepen kiezers. Technisch klopt het voorbeeld. Mijn antwoord is dat het bij evenredige vertegenwoordiging logischer is dat er vier partijen ontstaan. Bij een districtenstelsel met neiging tot twee partijen is het voorbeeld wel sterk, maar het is dan een argument tegen het districtenstelsel. Maar ook bij evenredige vertegenwoordiging en 150 kamerzetels zullen er wel meer dan 150 onderwerpen zijn zodat deze Ostrogorski-paradox zelfs bij 150 partijen zeer wel kan voorkomen. Als zodanig overtuigt het weinig, want regeren per referendum blijft inferieur aan het stelsel met volksvertegenwoordigers en politieke partijen. Referenda hebben immers hun nog veel ergere paradoxen, en politieke partijen kunnen zorgen voor het integraal kader van hun politieke visie. De Ostrogorski paradox is daarmee weliswaar een waarschuwing tot voorzichtigheid t.a.v. beleid en bescheidenheid voor meerderheidscoalities, maar niet de fundamentele reden om het districtenstelsel als ondeugdelijk af te wijzen.

(Robert Dahl, “A preface to democratic theory”, 1956, p128, geeft deze paradox ook al, maar dan voor een presidentieel stelsel met twee kandidaten. Zie 1W1V p100-101 voor deconstructie hiervan.)

In “Echte politicologie” meldt Joop van den Berg dat hij vanaf 1976 minstens eenmaal per maand met Daudt lunchte, eerst toen Daudt ook in Leiden werkzaam werd en daarna voortgezet in Amsterdam. Blijkbaar heeft Van den Berg tijdens die lunches nimmer de doorslaggevende argumenten tegen het districtenstelsel genoemd, of vergeet Van den Berg die argumenten nu te herhalen, of was Daudt hierover niet aanspreekbaar. Mijn indruk is dat Van den Berg als jurist blijkbaar niet de wiskundige scherpte had om die argumenten ook zelf te ontdekken, zoals ook gold voor de gehele “Leidse school”.

Daudt, in zijn terugblik in 1989 (weer 13 jaar later) op de commissie Cals-Donner (“Echte politicologie” p453-461), stelt: “Degenen, die meenden dat staatrechtelijke vernieuwing nodig was om de landelijke politiek nieuw leven in te blazen, hebben op drie manieren aan het kortste eind getrokken.” Deze uitdrukking betekent dat men in het nadeel is. Men verwacht dat Daudt zou stellen dat die voorstellen alsnog ingevoerd zouden moeten. Verrassend genoeg geeft Daudt redenen om er enigszins vrede mee te hebben dat de voorstellen juist niet zijn overgenomen.

Wellicht is Daudt bekeerd maar dan heeft hij nog niet de relevante kritiek t.a.v. het Amerikaanse kiesstelsel geformuleerd, zoals ook de Leidse school in gebreke blijft.

Partitocratie 2002-2016

2 Dagen voor de moord op Fortuyn publicieerde de NRC een artikel “De illusie van democratie” door Gerard van Westerloo (1943-2012).

“Een rondgang langs professoren leidde tot de volgende conclusies: politiek is gedegradeerd tot bestuur, de regentenstand speelt elkaar baantjes toe en het parlement oefent nauwelijks meer controle uit. De politieke partij is vooral een opstapje geworden voor een verdere carrière.Mag dit stelsel nog een democratie heten?”

Daudt is helder:

“Nederland, schreef hij nog voordat er sprake was van Fortuyn, is mogelijk een oord van vrijheid en zeker een rechtsstaat, maar Nederland is allerminst een democratie.”

Mogelijk is Daudt na de door Van den Berg “ironisch” geconstateerde “bekering” weer terugbekeerd tot zijn oorspronkelijke standpunt ? Als zodanig is het alleen historisch interessant, maar, voor lezers anno 2018 is er wel de voortdurende kritiek op het “partijenkartel”.

Daudt krijgt grotendeels steun van Ankersmit, Frissen, Hajer, Tromp, Kalk, Voerman, De Beus, Tops, Baakman, In ’t Veld, Van Praag, C. de Vries, Becker, C.J. Klop, Mair, Blom, Rosenthal.

Zelfs ook Joop van den Berg:

“‘Ja’, antwoordt hij, ‘iets van een politieke kaste is er wel. Daudt overdrijft misschien en dat doet hij expres, maar inderdaad, de trekken van een nomenklatoera, daar heeft het wel iets van.'”

Na alle kritiek trekt Van Westerloo de conclusie:

“Een doorleefd alternatief heeft de verzamelde politicologie niet te bieden, alleen een diagnose. Dat het volksvertegenwoordigend systeem behoorlijk ziek is. Maar een remedie? O ja, de roep om een persoonlijke keuze klinkt op. Maar in Engeland, waar elke kandidaat sinds mensenheugenis zijn district moet zien te winnen, gaan stemmen op die juist pleiten voor een evenredig kiesstelsel. De liberalen trekken daar elke keer weer een hoop kiezers en een miniem aantal zetels. Nee, een simpele remedie is er niet. Het lijkt er eerder op alsof onze rijkvertakte, sterk geïndividualiseerde en verinternationaliseerde samenleving te ingewikkeld geworden is voor zoiets simpels als een volksvertegenwoordigende democratie.”

Tja, als zelfs wetenschappers en journalisten in een democratie als Nederland niet begrijpen wat democratie is dan moet men niet verbaasd zijn dat er een vertrouwenscrisis ontstaat.

Het thema van het “partijenkartel” is opgepakt door Thierry Baudet en zijn Forum voor Democratie, maar, Baudet heeft blijkbaar geen studie van democratie gemaakt, en praat bovenstaande heren na – zie hier.

Over de doden niets dan goeds, maar, wanneer de redactie van VN bij het overlijden van Gerard van Westerloo stelt “Wie zijn grote reportages (…) las, begreep waar het om draaide in de journalistiek: echte verhalen over echte mensen, prachtig geschreven op basis van uitputtend onderzoek”, dan past de kritiek dat ook Van Westerloo in gebreke was bij dit onderzoek naar de stand van democratie. Het is opmerkelijk dat hij niemand heeft gevonden die Daudt tegenspreekt, maar hoe heeft hij gezocht ? Joop van den Berg verdedigt die partitocratie nog wel een beetje, in een combinatie van enerzijds anderzijds. Van Westerloo registreert het maar graaft niet door.

In zijn afscheidscollege in 2010 stelt Jacques Thomassen (geb. 1945):

“Maar, en dat is wat ik heb willen betogen, laten we niet al te gemakkelijk over een crisis van de democratie spreken. De problemen waarvoor we nu een oplossing proberen te vinden liggen in het verlengde van het democratiseringsproces zoals dat al in de negentiende eeuw is begonnen met als inzet een meer directe relatie tussen de wil van het volk en het overheidsbeleid. Dat is een moeizaam proces waarin het volk soms redeloos lijkt en de elite radeloos. Maar dat de democratie reddeloos zou zijn, lijkt mij voorlopig een onzinnige stelling. We hebben de onverbeterlijke neiging om de problemen waar we nu mee geconfronteerd worden geweldig uit te vergroten en het historisch perspectief te verliezen (…). Er is geen enkele periode in de geschiedenis aanwijsbaar waarin de democratie steviger verankerd was dan in de huidige.”

Toch is het ook weer verbazingwekkend dat ook weer Thomassen in de “regering-oppositie” tegenstelling denkt, d.w.z. het “meerderheidsdenken”, in plaats van te opteren voor afspiegelingscolleges waarin zoveel mogelijk partijen in de regerings-verantwoordelijkheid delen, maar waarin het parlement wel controleert:

“Maar het zou al helpen wanneer kabinetsformaties bij voorkeur ‘over rechts’ dan wel ‘over links’ zouden plaatsvinden en vooral niet ‘door het midden’. Want juist die klontering van de gevestigde politieke partijen leidt tot een karteldemocratie met alle gevolgen van dien.”

Tom van der Meer, Niet de kiezer is gek, 2017

Gelukkig in 2017 is er Tom van der Meer (geb. 1980), Niet de kiezer is gek (artikel, boek, video). De omslag van het boek stelt:

“Politicoloog en publicist Tom van der Meer dient in Niet de kiezer is gek David van Reybrouck, Thierry Baudet, Maarten van Rossem, Sybrand Buma, Edith Schippers, Bernard Wientjens, Alexander Pechtold en vele anderen van repliek.
Hij breekt een lans voor de kiezer die steeds maar weer ten onrechte de schuld krijgt van het gebrek aan vertrouwen in de politiek en van wispelturig stemgedrag. Ronduit zorgelijk noemt hij het dat politici en media massaal de vlucht naar voren zoeken in maatregelen die de democratie zouden moeten redden maar feitelijk ondergraven, en bestuurlijk niets oplossen. Kiesdrempels, fusies van partijen, referenda en burgerfora; het zijn contraproductieve medicijnen voor een verkeerd begrepen kwaal.
Het zijn de politici zelf die zich een spiegel moeten voorhouden. Er is geen crisis van de democratie, er is een crisis van de gevestigde partijen. Zij zitten op een doodlopend spoor, maar blijken niet bij machte bij te sturen.”

Van der Meer herinnert er ook fijntjes aan dat nieuwe partijen snel toegang kunnen krijgen tot het regeringspluche – D66 in 1973, LPF in 2002 en PVV 2010. Volhouden is wat anders.

Conclusie

De lezer doet er goed aan mijn Advies aan de Staatscommissie parlementair stelsel (commissie Remkes) te bekijken.

Het is schrikken van de grote negatieve invloed op het politiek proces in Nederland door het wetenschappelijk falen door ook Hans Daudt. Deze terugblik hier helpt vooral om beter zicht te krijgen op zowel dat falen als het belang van de correctie daarop. Voor de politiek: Nogmaals een periode met meerderheidsdenken en stembusakkoorden, laten we daar niet aan denken. Laat Rutte met zijn huidige meerderheidscoalitie plaatsmaken voor een afspiegelingskabinet. Voor de wetenschap: Er dient het nodige te veranderen wil de “political science on electoral systems” echt wetenschappelijk worden. Nederland heeft een comparatief voordeel door zijn stelsel van evenredige vertegenwoordiging, en onze wetenschappers hebben dat in hun publicaties nog onvoldoende benut.

Geplaatst in Democratie | Tags: , , , , , , , ,

Jan Pronk’s linkse gezindheid (Koos Vorrink lezing)

Jan Pronk (1940, dus rond 77 jaar) mocht op 1 mei 2017 de Koos Vorrink lezing houden, zie diens tekst alhier.

Pronk was minister voor ontwikkelingssamenwerking in de kabinetten Den Uyl, Lubbers 3 en Kok 1 en minister voor VROM in Kok 2. Daarvoor en tussendoor nog kamerlid en werkzaam voor de VN.

Ik heb aan Pronk drie actieve herinneringen. Ik was eens congresafgevaardigde voor de afdeling Scheveningen van de PvdA, media jaren ’80, en Pronk sprak het congres toe over de doelstellingen van de internationale sociaaldemocratie voor een betere wereld, en kreeg een daverend applaus. Ik klapte mee natuurlijk. Vervolgens was er een symposium na het overlijden van Tinbergen waar Pronk sprak. Vervolgens was er, ergens in 1998-2002, een vergadering van een commissie van de Tweede Kamer over het milieubeleid, en vanaf de publieke tribune kon ik constateren dat minister Pronk van VROM het uitstekend deed.

In 2013 stapte Pronk uit de PvdA. De goegemeente zal hem wel tot de mastodonten van de sociaaldemocratie rekenen, die nu dan door de woestijn dwaalt. Mijn indruk is dat Pronk beter verdient, maar laat ik eerst naar bovenstaande lezing kijken.

Vier overwegingen

Pronk’s lezing begint met vier overwegingen waarom hij voor de sociaaldemocratie koos:  (1) ethische uitgangspunten en de Doorbraak, (2) de economische wetenschap en de inspiratie door Jan Tinbergen, (3) een tweede doorbraak, namelijk het afscheid van Marxistisch denken in termen van klassenstrijd en derhalve het accepteren van een veelgeschakeerde samenleving, (4) de internationale oriëntatie.  Voor de jonge Pronk leidde de keuze voor de sociaaldemocratie ook tot de keuze voor de PvdA, maar in 2013 lag dat anders.

Van Drees naar Schuivende Panelen naar Paars

Pronk’s lezing beschrijft dan de politieke jaren 1960-1986. Wanneer het Tweede Kabinet Den Uyl er niet komt gaat de PvdA zelf in de woestijn dwalen, de neoliberalisering zet door, Den Uyl draagt de voorzittershamer aan Wim Kok over, en de commissie Pronk schrijft het rapport Schuivende Panelen. Dezelfde jaren staan ook in het recente boek Zeventig jaar zoeken naar het compromis over de parlementaire geschiedenis 1946-2016 – althans, ik heb alleen het tv-interview over dat boek gezien.

Pronk neemt Kok in bescherming, die met het “loslaten van de ideologische veren” blijkbaar wat anders bedoelde dan de media ervan gemaakt hebben.

Hier ontstaat een punt van kritiek: Pronk stelt niet helder dat die neoliberalisering werd gedragen door de wetenschap. Het vulgair keynesiaans denken had tot stagflatie geleid – een combinatie van werkloosheid en inflatie en gangbaar stagnatie van investeringen en groei van de productie. Economen keerden daarom terug naar het marktdenken. Pronk verwijst naar globalisering als oorzaak maar ook dat is slechts een gevolg.

Kernpunt is dat de sociaaldemocratie geen goed antwoord had op een wetenschappelijke visie die tegen de eigen idealen inging. De “derde weg” van Wim Kok was een voortzetting van de loonmatiging, waardoor Nederland de eigen werkloosheid naar het buitenland exporteerde, en met de opbrengsten van het aardgas konden nog sociale voorzieningen in stand worden gehouden. Maar inspirerend was het niet.

Paars

Pronk erkent dat bestuurders blind kunnen zijn:

“Binnen de paarse coalitie waren we in staat de kiezers duidelijk te maken waar wij de grenzen trokken. Maar ik sluit niet uit dat we onvoldoende inzagen dat we meewerkten aan het geleidelijk verder opschuiven van die grenzen. Wie midden in het machtscentrum zit waar politieke gevechten worden gevoerd, gewonnen en verloren, waar beleid wordt geformuleerd en compromissen worden gesloten, kan wel eens het zicht verliezen op de effecten van dat beleid voor de mensen aan de onderkant van de samenleving, zelfs als men er oprecht naar streeft die onderkant niet uit het oog te verliezen en de mensen niet los te laten.”

Mijn kritiek is dat dit zicht structureel is verloren, en niet “wel eens”. Zie de drie fouten van Wim Duisenberg reeds tijdens het kabinet Den Uyl. Pronk noemt de “strijd om de Melkert banen”, maar noemt dan niet dat politicoloog en PvdA-kamerlid Ad Melkert juist geen vragen stelde over de censuur van de wetenschap sinds 1990 door de directie van het Centraal Planbureau.

Pronk:

“Voor overmatige zelfrechtvaardiging is geen reden. Het [is] een feit dat rond de eeuwwisseling alle economische indicatoren er goed voor stonden: een evenwichtige begroting, een sterke munt, financiële stabiliteit, bijna volledige werkgelegenheid, een zich zelf in stand houdende economische groei. Nederland werd daarvoor door buitenlandse waarnemers geprezen.”

Ja, het blijft verbazen hoe stevig die oogkleppen waren. Dit zgn. Nederlands succes werd dus gekocht met de politiek van de loonmatiging en export van werkloosheid. Nu Duitsland het ook doet wordt duidelijk dat Zuid Europa wordt weggeconcurreerd (zie hier). Bij Bretton Woods legde Keynes nog luid en duidelijk uit dat overschotlanden ook een verantwoordelijkheid hebben.

“Bovendien had het publiek zich ronduit optimistisch getoond over de invoering van de Euro, die in ons land met meer enthousiasme werd verwelkomd dan elders.”

Maar Pronk heeft dan blijkbaar niet gehoord over eenzijdige voorlichting over de euro … Deze 70 economen kwamen natuurlijk nogal laat, in 1997. Ik zou het ook niet zo verwoorden zoals zij het doen, maar mijn advies in 1990 op het Centraal Planbureau tot een parlementaire enquête was op tijd en adequaat.

“Maar plots veranderde het beeld. Dat hadden we moeten voorzien. Het was een politieke fout dat we de groeiende ontevredenheid niet zagen aankomen. Die overspoelde ons als een golf, weliswaar aangewakkerd door een wind die woei buiten de sfeer van de traditionele politieke partijen – Pim Fortuin en groeperingen die kozen voor ‘Leefbaarheid’ als eerste prioriteit – , maar dat veranderde niets aan het feit dat veel burgers inderdaad ontevreden waren.

Dat lijkt me incorrect. Bolkestein was al tijdens Paars begonnen om het orgel van de ontevredenheid te bespelen. Hoe kun je denken dat mensen met een “Melkert baan” tevreden zouden moeten zijn terwijl het geen echte baan is ? Ik wil Pronk best geloven dat hij het niet zag aankomen maar het toont ook verblinding.

In 1993 was Jan Nagel (1939) bijv. uit de PvdA gestapt en begon Leefbaar Hilversum. Ikzelf was in 1991 uit de PvdA gestapt. Wanneer Nagel en Pronk daar nu eens van geschrokken waren, en hadden onderzocht wat er aan de hand was …. Met een mentaliteit van “we praten niet meer met mensen die uit de partij stappen” maak je het jezelf nogal erg gemakkelijk om tot verblinding te geraken. Ook die “Rode Hoed groep” uit 1991 kwam daardoor niet verder. Zie mijn bespreking Soms loopt het zo.

Niemands land 2009

Pronk:

“Ik moet u bekennen dat ik nogal ben geschrokken van de analyse die Marcel van Dam in zijn boek Niemands land (2007) [dit moet 2009 zijn], waarin hij een schets gaf van het beleid en de effecten in de jaren negentig.”

“Misschien was een combinatie van luid verzet van middengroepen en stil verzet van mensen uit de ‘onrendabele’ onderklasse verantwoordelijk voor de ongekende nederlaag van de PvdA in 2002: een halvering van de fractie in de Tweede Kamer.”

Marcel van Dam (1938) is een andere PvdA-verlater, nu in 2003. Van Dam is socioloog en uitvinder van de “exit poll”. Diens Niemands  land is ook een apologie van de verblinding. De samenvatting stelt (met andere kleur voor citaten anders dan van Pronk): “Hoe is het mogelijk dat een ervaren oud-politicus (ex-minister en ex-parlementariër), iemand die al bijna twintig jaar lang wekelijks een column in de Volkskrant schrijft over Nederland, nota bene een socioloog, niet in de gaten heeft gehad dat ons land aan het begin van de jaren tachtig ideologisch radicaal begon te veranderen?”

Van Dam is dus geen econooom, en mijn deconstructie van diens boek staat, eerst in mijn concept-boek Iedereen Blij (2010), en vervolgens bewerkt in Democratie & Staathuishoudkunde (D&S) (2012). De burger die overzicht en analyse van de situatie wil, kan het beste D&S gaan lezen.

In 2006 stemt Van Dam op de SP. In dit interview uit 2009 met Jan Marijnissen (zie mijn protest tegen Hoe dan, Jan?) verwijst Marcel van Dam naar het Belastingplan voor de 21e Eeuw van Gerrit Zalm (VVD) en Willem Vermeend (PvdA), maar helaas verwijst Van Dam niet naar de leugen van Zalm en Vermeend.

Van Dam zegt tegen Marijnissen: “Ik heb er twee en een half jaar aan besteed om het allemaal te onderzoeken. Gewone mensen doen dat niet. Als ik vertel dat mensen met een minimuminkomen nu minder koopkracht hebben dan in 1980, dan gelooft niemand je. Ook politici niet.” Nou, misschien doen gewone mensen dat niet, maar economen wel, hoor. En bij dat onderzoek heeft Van Dam dan geen gebruik gemaakt van internet, want dan had hij mijn website wel kunnen vinden.

Van Dam: “De technocratie heeft het pleit gewonnen. Bezieling is vervangen door pragmatisme. Het neoliberalisme heeft diep ingegrepen, juist ook bij de PvdA. Kijk naar hoe er politiek bedreven wordt: het geloof is weg. Er is geen geloof meer in een betere toekomst. Dat is vervangen door de toekomst die berekend wordt door het Centraal Planbureau. Onze toekomst wordt nog slechts ‘uitgerekend’. Men denkt zelfs de toekomst over honderd jaar uit te kunnen rekenen. De bezuinigingen die nu moeten worden doorgevoerd worden gemotiveerd met een verwijzing naar de verre toekomst. Het is de hoogmoed van de Toren van Babel.” Ook Van Dam begrijpt niet dat het neoliberalisme weliswaar gezien kan worden als een politieke stroming, maar dat het erom gaat dat de economische wetenschap geen alternatief had voor meer nadruk op het marktdenken, zodat ook PvdA-economen zulk beleid moesten erkennen. Echter, mijn analyse is een amendement daarop, en geeft dus wetenschappelijk dus weer een ander perspectief. Maar dan moet je wel respect voor wetenschap hebben. Wanneer Van Dam naar het CPB verwijst, dan had hij toch ook wel mijn boek Trias Politica & Centraal Planbureau (1994) hebben kunnen vinden, maar dat deed hij ook niet, ondanks zijn 2 + 1/2 jaar zoeken. Maar ja, Van Dam zal mij als medewerker van het CPB dan wel zien als “technocraat”, en zal het vast fijn vinden dat mijn werk gecensureerd is omdat het werk van zulke “technocraten” toch niet zal deugen. Van Dam schept zo zijn eigen monster en alleen omdat hij geen respect heeft voor wetenschap.

Het gaat hier natuurlijk om de lezing van Jan Pronk, maar het punt is wel dat Pronk niet bovenstaand antwoord aan Van Dam heeft.

De mastodonten die de PvdA verlaten zoeken ieder hun eigen woestijn op.

Wie is wie kwijtgeraakt?

Pronk:

“Die teruggang is niet uniek voor Nederland. Ook in andere Europese landen is de sociaal democratie verzwakt. Bij de recente Presidentsverkiezingen in Frankrijk spelen de socialisten geen rol. In Engeland is Labour gemarginaliseerd. In Zuid-Europese landen en in Scandinavië staan traditionele sociaaldemocratische politieke partijen buiten spel. Alleen in Duitsland is er hoop. Maar het algemene beeld is gekanteld. Er zijn specifieke redenen waarom de PvdA in Nederland momenteel tot irrelevantie lijkt gedoemd, maar er moeten ook structurele factoren zijn van een meer algemene gelding.”

Hier wordt het bovenstaande onderwerp opnieuw behandeld in andere woorden. Wat eerst voor Nederland gold blijkt internationaal te gelden, maar dit mag ons weer niet verbazen, omdat we reeds de diagnose hebben gesteld dat het onderliggende proces uit de economische wetenschap bestaat.

Pronk komt tot de conclusie dat er een nieuwe Marx ontbreekt, en hij lijkt daarmee Marx als ideoloog te bedoelen, van wie hij eerder afstand nam.

“In deze [neoliberale] euforie werden tegengeluiden vanuit de socialistische of sociaaldemocratische beweging node gemist. Het ontbrak de beweging aan een visie die was gebaseerd op systeemkritiek.”

Dit is dubieus. Ex cathedra plaatst hij mij buiten “de beweging” terwijl ik toch lid van de PvdA was in 1975-1991 en mij zelfs kandidaat stelde voor het voorzitterschap. Wederom ziet Pronk de rol van de wetenschap niet. Het is de taak van de economische wetenschap om, na het neoliberale antwoord op het vulgair keynesianism, voort te bouwen en nog betere wetenschap te vinden. De wetenschap gaat over de informatie. De politiek gaat over de doelen. Wie dat onderscheid niet maakt komt tot verwarde analyses.

Voor mijzelf is het wel een punt van observatie dat ik op het CPB tot een nieuwe neoclassieke synthese kwam, terwijl mij onbekend is of er ook collegae in het buitenland zijn die tot iets soortgelijks zijn gekomen. Wellicht is er elders ook censuur, of, steunt mijn synthese juist op de bijzonder historie van het CPB, waarin Jan Tinbergen vanaf het begin de wetenschappelijke basis heeft benadrukt. Bijv. bij de tegenhanger in de USA, de Council of Economic Advisors, maakt de voorzitter van de CEA deel uit van het kabinet van de President, en heeft daardoor nog altijd een veel politiekere rol. Zie dit memo in de Newsletter van de Royal Economic Society (RES).

Vervreemding en uitbuiting

Pronk doet dan enkele suggesties voor zo’n nieuwe Marx, maar voorzover ik kan zien komt hij niet verder dan het bekende rijtje van vervreemding en uitbuiting, waarover ook die Schuivende Panelen het al hadden en waarop ook Marijnissen de trom slaat. We lezen hoe mensen buiten het wereldsysteem van het kapitalisme worden gedreven en anderen weer daarbinnen, en beide keren is het onrecht.

Politieke bureaucratie

Pronk realiseert zich dat hij op die manier niet verder komt, en concludeert dan:

“De beweging van de sociaaldemocratie werd een institutie, een bureaucratie. Een beweging mobiliseert. Instituties plegen te managen en bureaucratieën geven geen thuis.”

“De socialistische internationale is een zachte dood gestorven. De Europese sociaaldemocratie maakt geen vuist, uit vrees voor het electoraat.”

Mij is onduidelijk hoe dit zich verhoudt tot de technocratie waar Van Dam op afgaf. Maar misschien is dit hetzelfde, wanneer we uitgaan van een politiek-bureaucratisch complex.

Misschien heeft Pronk ook wel Wouter Bos in gedachten, die blijkbaar soms niet meer wist waarom hij het deed.

Toch aarzel ik bij het al te gemakkelijk afdoen van “bureaucratie”. Een degelijke overheid is ermee gediend dat de ambtenaren zich aan de regels houden. Ook een politieke partij is ermee gediend dat er interne regels zijn. Een goede regel zou zijn om wanneer iemand het lidmaatschap opzegt tenminste een fatsoenlijk exit-gesprek te voeren in plaats van de afvallige te verketteren of juist dood te zwijgen. Dus de term “bureaucratie” zegt relatief weinig, en je kunt beter aangeven waar een bureaucratie faalt.

Griekenland en de euro

Pronk geeft kritiek op moleculair bioloog en PvdA financieel woordvoerder Ronald Plasterk.

“Toen de Griekse Minister-President Papandreou (overigens zelf socialist) het plan opvatte om de vanuit Europa opgedrongen bezuinigingen voor te leggen aan een referendum, en de financiële markten op hol sloegen, reageerde Ronald Plasterk als door een wesp gestoken: “Zijn ze nou helemaal belatafeld”. Daarmee bedoelde Plasterk niet de financiële markten, maar een wettig gekozen politicus die een democratisch instrument wilde hanteren, dat tal van andere Europese lidstaten zelf regelmatig toepassen, maar Papandreou werd ontzegd. Waarom? Omdat democratie niet in de kraam te pas kwam van het financiële kapitaal? Daar leek het wel op. Papandreou moest het veld ruimen en een half jaar later werden met premier Samaras, die nauwe banden had met financiële instellingen, wel zaken gedaan. En daarna werd een volgende premier, Tsipras, een beleid opgedrongen en met economische middelen afgedwongen dat haaks stond op de uitkomst van het referendum dat hij wel had weten door te zetten.”

Dit is te kort door de bocht en is niet helder t.a.v. het gebrek aan internationale sociaaldemocratische solidariteit.

(1) Griekenland had zich reeds via normale verkiezingen aan de EMU verbonden, en je moet niet doen alsof een referendum die afspraken ongedaan kan maken.

(2) Er kan veel gezegd worden over het politieke spel hieromheen. Papandreou wilde zich wel inzetten voor zulke bezuinigingen, dus voor hem ging het referendum klaarblijkelijk om het winnen van grotere rust in plaats van het doorschuiven van de hete aardappel. Maar het blijft een onverantwoord middel, met ook de mogelijkheid dat Papandreou toch weer tegen de Eurozone zou zeggen dat de bevolking het niet wilde.

(3) Het zijn Papandreou’s Griekse partijgenoten die hem aan de kant hebben geschoven. Wellicht is niet de international sociaaldemocratische solidariteit maar juist de interne Griekse sociaaldemocratische solidariteit van belang.

(4) De juiste kritiek op Plasterk betreft niet het referendum maar inderdaad het gebrek aan solidariteit met de werklozen in Zuid Europa. Waar is de kritiek van Plasterk op het Nederlandse loonmatigingsbeleid ? Zie mijn protest: hier en hier.

Pronk:

“Ik heb van de kant van sociaaldemocratische politici in Europa geen afwijkend geluid gehoord. Integendeel. De sociaaldemocraat Dijsselbloem, in zijn functie als voorzitter van de Eurogroep, dwong Griekenland tot een aanpassings-, bezuinigings- en privatiseringsbeleid dat sociaaldemocraten twintig jaar geleden, toen het IMF een dergelijk beleid wilden opleggen aan ontwikkelingslanden, altijd hadden bestreden. De Griekse minister van Financiën, Varoufakis, door collega economen alom gerespecteerd, doch partijpolitiek links gepositioneerd ten opzichte van de sociaaldemocratie, kreeg geen gehoor. Hij ruimde het veld.”

Ook weer iets genuanceerder:

(1) Pronk geeft niet aan waarom het beleid van Dijsselbloem niet deugde. Zolang de economische wetenschap het neoliberalisme omarmt, kan Dijsselbloem relatief weinig anders, behalve dan, dat Dijsselbloem als minister medeverantwoordelijk is voor de censuur van de wetenschap sinds 1990 door de directie van het CPB.  Zie hier voor beoordeling van de rol van Dijsselbloem.

(2) Wellicht is Varoufakis alom gerespecteerd maar ik acht hem een malloot. Hij is een speltheoreticus en heeft niet de kennis die hier relevant is. Zelfs als politicus zou Pronk toch moeten zien dat de opstelling van Varoufakis contraproductief was.  Zie mijn bespreking van deze episode.

Pronk’s vertrek uit de PvdA

Pronk nam in 2002 (62 jaar oud) afscheid van de nationale politiek. Hij constateert dat de PvdA na 2002 – dus niet langer onder zijn eigen mede-verantwoordelijkheid – niet meer “streed” voor haar idealen maar meewoei met de neoliberale wind. In feite is dit niet anders dan tijdens Paars, maar bij de opkomst en moord op Fortuyn ontstond er scherpe cultuurkritiek, waar de PvdA geen weerwerk gaf.

De redenen voor Pronk’s vertrek in 2013:

“Wanneer die beginselen niet alleen worden verwaarloosd, maar willens en wetens terzijde worden geschoven en opzettelijk worden verloochend, is de partij geen thuishaven meer voor voorvechters van die beginselen. Toen de PvdA beginselen van internationale solidariteit afschafte, door eenzijdig te korten op hulp aan andere landen, en door asielzoekers die niet naar hun land van herkomst terug durfden gaan, maar een illegaal verblijf in Nederland verkozen boven vervolging in eigen land, als criminelen te bestempelen, was voor mij het moment gekomen te vertrekken. Ik was en bleef sociaaldemocraat, maar kon de PvdA niet meer zien als mijn sociaaldemocratisch huis. “

Pronk constateert dat zijn vier overwegingen voor de keuze voor de sociaaldemocratie in stand blijven. Dat lijkt me te billijken.

Ikzelf heb ervoor gekozen mij na het vertrek uit de PvdA “sociaal liberaal” te noemen. Een afscheid maakt het mogelijk om e.e.a. nog eens te overdenken. Mij stond het geflirt met de wetenschap in het zogenoemde “wetenschappelijk socialisme” toch tegen, waar Marx zwak was in wiskunde en Michio Morishima weliswaar een interpretatie van aspecten kon geven in termen van de Von Neumann technologie: maar dan ligt de relevantie toch bij Von Neumann en niet bij wat in oude teksten kan worden gevonden wanneer je maar selectief gaat winkelen. De oude Drees sr. schreef een interessant boek over zijn studie aan Marx, geredigeerd door Bart Tromp, maar het is vooral historisch interessant.

Pronk verwijst naar een bundel Haalt de PvdA 2025? (2017) onder redactie door Bram Peper (1940) – nog steeds lid van de PvdA, en nog steeds geen gebruik van internet makend om mijn kritiek te bestuderen. Pronk is skeptisch t.a.v. de perspectieven:

“De huidige leiding van de partij bestaat uit dezelfde personen die de afgelopen jaren verantwoordelijk waren voor het gevoerde beleid. Zij hebben geen teken gegeven het roer te willen omzetten. En niets wijst op een nieuwe omwenteling van binnen uit, zoals destijds onder invloed van Nieuw Links. Een jonge generatie komt er niet aan. Die voelt zich, voor zover zij partijpolitiek is geïnteresseerd, meer door andere partijen aangetrokken.”

Pronk had al kritiek op de politieke-bureaucratie maar voegt daar dus kritiek op de leiding toe. Mijn indruk is dat de kritiek scherper kan luiden. Lodewijk Asscher maakte de fout in 2012 door de VVD-PvdA coalitie niet te bekritiseren, die op gespannen voet met de verkiezingscampagnes stond. Vervolgens heeft hij eerst vier jaar lang het VVD-PvdA beleid verdedigd, maar pas bij de verkiezingen in 2017 kwam de kritiek op Samsom, maar zonder zelfkritiek voor die vier jaar. Vervolgens, juist die kiezers die juist wel begrip voor de VVD-PvdA coalitie hadden en die nog wel PvdA stemden, die krijgen nu een tik op hun vingers doordat Asscher voor de oppositie kiest. Wie zorgvuldig naar het track-record van de jurist Asscher kijkt kan zich slechts verbazen.

Linkse samenwerking

Pronk ziet de PvdA dus verdwijnen, en opmerkelijk genoeg verwacht hij dan een oplossing in een linkse samenwerking – met daarin dan ook die verdwijnende PvdA.

“Belangrijker dan de vraag of de PvdA nog een toekomst heeft als een sociaaldemocratische beweging, is de vraag of er nog een toekomst is voor links. U zult zich misschien afvragen: links, wat is dat vandaag de dag? Is het nog wel zinvol een onderscheid te maken tussen links en rechts? Is de samenleving niet zo veelkleurig en zo ingewikkeld geworden dat zij niet in een links-rechts schema kan worden gemodelleerd? Dat moge waar zijn in sociologisch opzicht, en misschien ook in partijpolitieke zin, maar niet in politieke zin, en dat is iets anders. Ik vrees dat de ontkenning van een links-rechts tegenstelling politiek rechts in de kaart speelt. Met politiek rechts bedoel ik al diegenen die niet links willen zijn. Dat lijkt een tautologie, maar ik zou een linkse wereldbeschouwing of een linkse gezindheid willen omschrijven als een keuze voor [zie Pronk’s opsomming]”

Pronk geeft een nummering, waardoor het wellicht heel wat lijkt, maar zonder nummering zijn het deze begrippen: democratie, rechtsstaat, vrijheid genormeerd door verantwoordelijkheid, sociaal (…), multicultureel (…), kosmopolitisch (…), duurzaam (…), groen (…), solidair (….), publiek (…).

Pronk stelt dat een afwijking hiervan als rechts kan worden gezien. Wie bijv. het kosmopolitische afwijst wordt een nationaal-sociaaldemocraat, en wie ook het multiculturele afwijst wellicht een nationaal-socialist. Deze begrippenlijst past een beetje bij de oude PvdA maar misschien zou deze ook passen bij D66 of GroenLinks of grotendeels zelfs VVD en Christen-Unie en CDA, want het zijn maar begrippen en geen uitgewerkte programmapunten. Mijns inziens zijn er meer dimensies en niet alleen zo’n schaal van links naar rechts. Het is ook complex: multiculturalisme veronderstelt dat je andere culturen respecteert, maar ook als een onderdeel daarvan is dat vrouwen onderdrukt worden ?

Pronk denkt derhalve nog in termen van links-rechts, terwijl mijn neiging is afspiegelingskabinetten voor te stellen, waarin zoveel mogelijk partijen zitten behalve wie extreem of incompetent is.

Pronk:

“Het zwaartepunt binnen het electoraat ligt nu bij rechts plus een beetje centrum. Dat is niet meer een politieke slingerbeweging, zoals in de afgelopen decennia. Het is een structurele verschuiving in de politieke verhoudingen, in ons land en ook daarbuiten. Dat betekent dat het zwaartepunt van de macht in regeringscoalities met een bredere samenstelling zal liggen bij rechts. (…) Het is altijd regeringsdeelname op rechtse voorwaarden. Tenzij links zich tot een machtsfactor weet te ontwikkelen. Dat kan, wanneer de linkse partijen zich niet meer laten lenen voor een verdeel en heers tactiek van rechts, maar gezamenlijk macht vormen tegen rechts (en centrumrechts), en wel op een zodanige manier dat het perspectief op een dergelijke progressieve machtsvorming mensen mobiliseert. “

Pronk is gevangen in de programakkoorden van de meerderheidscoalities en ziet blijkbaar niet de mogelijkheid van afspiegelingskabinetten, met inclusief denken. Hij gaat uit van een wij-zij denken, met de goeden die dan links zijn en de slechterikken die dan rechts zijn. De meerderheid mag de stemmen van de anderen negeren, want de tegenpartij ziet het verkeerd. Dit denken polariseert en schept zijn eigen tegenwerking.

Voor de gemeenteraden bestaat er de term “afspiegelingscollege“. Opmerkelijk is dat wikipedia geen link heeft voor “afspiegelingskabinet”. We vinden de term wel bij “anw.nl” maar daar wordt het gelijk gesteld aan “zakenkabinet” terwijl dat laatste toch echt wat anders is. Een zakenkabinet wekt de schijn niet-politiek te zijn, maar is dat natuurlijk wel, want verantwoording afleggen is een politiek proces. Derhalve is de term “zakenkabinet” een term voor demagogen, zie bijv. dat Thierry Baudet deze term gebruikt.

Inspireren

Pronk

“Er zijn nog steeds veel burgers met wat ik hierboven omschreef als een linkse gezindheid. Om hen te mobiliseren zal een aansprekend en hoopgevend alternatief moeten worden geboden: een groot verhaal, gebaseerd op waarden als democratie, mensenrechten, sociale gelijkheid, solidariteit, vrede en een duurzame toekomst. Maar dat verhaal zal mensen niet louter kunnen mobiliseren omdat het er mooi uitziet op papier. Het gaat niet alleen om de inhoud van een verhaal, maar ook om de vraag of het een perspectief biedt op machtsvorming. Alleen een combinatie van die twee mobiliseert: progressieve programmatische verbinding en gezamenlijke progressieve machtsvorming. Alleen dan kan ook in termen van macht een reëel tegenwicht worden geboden aan populistisch rechts.”

Ik volg dit niet:

(1) De definitie hierboven over het verschil tussen links en rechts laat het open dat bijv. zowel PvdA als VVD links zijn, behalve misschien t.a.v. gradaties van multiculturaliteit, kosmopolitisme, solidariteit, en milieuduurzaamheid, die dan eerder uit programmaverschillen blijken. Zulke verschillen over de partijen zijn zo divers dat er niet langer sprake is van een enkele schaal links-rechts.

(2) Iedere kiezer wordt geïnspireerd door de eigen partij. Iedere partij heeft zijn eigen grote verhaal. Er is nergens blokvorming voor nodig. Wel is het wenselijk dat er inclusief denken ontstaat, zodat iedere partij het perspectief heeft op invloed op het beleid.

(3) Wat is er gebeurd met de impotentie van de PvdA en het verval tot bureaucratie, waardoor de PvdA niet meer het geschikte vehikel voor de sociaaldemocratie is geworden ? Is dit plotseling opgelost door deze linkse samenwerking ?

(4) Ik zie in Pronk’s verhaal nog nergens het antwoord op het blote gegeven dat de economische wetenschap de neoliberal aanpak ondersteunt. Je kan zoveel linkse blokvorming hebben als je wilt, maar wanneer de wetenschap je uitlegt dat je programmavoorstellen niet werken, dan kun je er beter vanuitgaan dat ze niet werken, tenzij je wilt gaan experimenteren zoals in Venezuela.

Pronk:

“Alleen wanneer een dergelijk alternatief voor populistisch rechts wordt uitgedragen door de gezamenlijke linkse politieke partijen – PvdA, SP, Groen Links en D’66, en graag ook de Christen Unie, de Dierenpartij en Artikel 1 – zullen burgers een legitieme hoop kunnen koesteren dat het tij kan worden gekeerd. Dan zullen zij er op mogen vertrouwen dat linkse politieke leiders elkaar vasthouden, en dat niemand in de samenleving wordt losgelaten. Dan wordt het mogelijk dat het totale aantal stemmen van de gezamenlijke progressieve of linkse partijen niet verder daalt, maar stijgt omdat het vertrouwen stijgt, en met reden.”

Pronk’s criteria voor “links” blijken inderdaad zo flexibel dat hij blijkbaar genoemde partijen als “links” ziet. Maar:

(1) We hadden juist vastgesteld dat de PvdA niet meer links is, maar juist bureaucratisch. Gaan ze die bureaucratie opgeven ten gunste van die blokvorming, of, ontstaat er nu een dictatuur van het afgesproken blok, zoals Lodewijk Asscher reeds in 2012-2017 toonde welke fractiediscipline hij kan eisen – en dan als dankbaarheid het mes in de rug kan steken zoals bij Samsom ?

(2) D66 is juist een zeer neoliberale partij en derhalve, als ik Pronk’s klassieke sociaaldemocratische normen goed begrijpt, nauwelijk links te noemen. Ja, men staat voor de rechtsstaat, maar anderen ook. D66 is juist anti-democratisch, met hun kroonjuwelen van districtenstelsel, referenda en gekozen premier en burgemeester. Zie mijn boekje Laat D66 zich opheffen (2012).

(3) T.a.v. de SP is er het probleem van Hoe dan, Jan? en van het Boeien, binden, benutten. Hopelijk wil Pronk niet beweren dat de SP wel het antwoord op de neoliberale wind heeft gevonden waar de PvdA dan te dom voor was.

(4) GroenLinks ….. Ik heb hier geen onderbouwde deconstructie zoals t.a.v. eerder genoemde partijen. Laat ik die mening maar geven: Een combinatie van de getuigenis-politiek van de PPR en daaronder de geharde kaders van de CPN, en die mooie slogans over het milieu als lokkertje gebruiken zonder effectief beleid tot stand te brengen, laat staan te bepleiten. De lezer kan er natuurlijk anders over denken en wel een onderbouwde analyse hebben.

Pronk:

“Maar het gaat in dit stadium om meer, om de rechtsstaat en om de democratie. Linkse samenwerking is niet meer alleen van belang voor ieder van de linkse partijen afzonderlijk, en ook niet alleen voor gezamenlijk links, maar voor Nederland als democratische rechtsstaat, als natie waarin niet wordt gediscrimineerd. Het gaat niet om tegenwicht en tegenmacht tegen rechtse en centrum rechtse partijen, die zelf ook democratisch zijn gelegitimeerd en zich aan de spelregels van de democratie houden, maar om tegenwicht en tegenmacht tegen ondemocratisch populistisch rechts.”

In de oude sociaaldemocratie ging het ook om de bestaansvoorwaarden, zoals werk tegen redelijk loon, zorg en onderwijs, en de oude dag. Pronk ziet het accent verschuiven, en klinkt dan bijna als D66, dat zich richt op rechtsstaat en (verkeerd begrepen) democratie. Het bizarre is dat juist D66 met de kroonjuwelen het populisme omarmt, en nadien ook het neoliberalisme.

Pronk begon met het neoliberalisme maar eindigt met het populisme als hoofdprobleem, waarbij dat populisme nauwelijks wordt onderzocht. Pronk’s antwoord op het populisme is karig: Een machtsblok van vermeend links, dat het ontstaan van het populisme niet onderzoekt, dat via D66 zelf ook populistische is, welk blok zelf polariseert en tegenwerking oproept, met het risico zo zelf aan de kant te komen staan.

Pronk’s samenvatting

Pronk geeft een samenvatting maar voegt daar ook iets nieuws aan toe, namelijk een verwijzing naar Vorrink, ter ere van wie hij mocht spreken.

“En een generatie leiders eerder was Koos Vorrink, onder de indruk van de totalitaire dreiging in de jaren dertig, tot de conclusie gekomen dat socialisme niet meer is dan democratie, maar dat democratie meer is dan socialisme, en dat daarom met gelijkgezinden moest worden samengewerkt. Dat geldt, opnieuw, vandaag.”

Dit is de Doorbraak waarvan reeds in 1950 sprake was.  Ik ben het met Pronk eens dat deze verwijzing naar 1950 geen teken van stagnatie maar van duurzaam inzicht is. Toch zijn er nog maar weinig socialisten, voor wie dit inzicht relevant is. We mogen aannemen dat Pronk bedoelt dat geen politieke gezindheid (ruimer dan socialisme) belangrijker is dan democratie, en dat democratische partijen derhalve moeten samenwerken. Maar, in dat geval, geldt dit voor een breed spectrum van partijen, ook de VVD en CDA bijvoorbeeld.

Niet overtuigd

Ik ben derhalve niet overtuigd door Pronk’s lezing. Waarom schrijf ik dit op ?

In het verleden was ik op een ander punt ook oneens met Pronk, en het lijkt me nuttig aan te geven welk ander punt dit was: de basisbehoeftenstrategie in de ontwikkelingssamenwerking, in het kader van het Brandt-rapport, zie hier. Jan Tinbergen zei aan de telefoon dat ik heel wel gelijk kon hebben. Inmiddels is veel veranderd maar mijn indruk is dat hier nog steeds vooruitgang kan worden gemaakt. Laat de regering deze inzichten meenemen. Een her-introductie van Tinbergen’s 0,7% lijkt achterhaald maar er kan een staalkaart van normeringen komen, met belastingen van de rijken, ook in de armere landen zelf, ten gunste van de armen, en vormgeving van internationale solidariteit. Zie mijn suggestie tot een wereldparlement.

Ten tweede gezien Pronk’s historische positie in de PvdA. Pronk zit nog gevangen in enkele oude dwalingen, en welicht kan beter inzicht bijdragen tot een betere geschiedschrijving – ook al is e.e.a. achteraf.

Ten derde om het belang van mijn advies aan de Staatscommissie parlementair stelsel te onderstrepen, zie de vorige tekst op dit weblog.

Geplaatst in Anatomie van Nederland, Democratie | Tags: , , , , , , ,

Advies aan de Staatscommissie parlementair stelsel (commissie Remkes)

De Staatscommisie parlementair stelsel (de commissie Remkes) is op 27 januari 2017 ingesteld, en heeft reeds een Probleemverkenning met zes Thema’s geschreven.

Hier is mijn advies aan de commissie.

PM. Zie ook mijn analyse over oorzaak en mogelijke oplossing voor Brexit, in het licht van dit advies. De Britten lijken te denken dat Brexit een succes is van hun betere parlementaire stelsel, met districtenstelsel en referenda zoals D66 voorstaat, maar het is eerder een product van het falen daarvan, en bewijs dat de Britten een inferieur stelsel hebben. Dat kan echter pas blijken wanneer de Britten eerst overgaan tot evenredige vertegenwoordiging zoals in Nederland, nieuwe verkiezingen houden, en vervolgens in het parlement nog eens naar Brexit of Bregret kijken. Zie een schets van hoe Conservatives en Labour zouden uiteenvallen in Leave en Remain subpartijen.

1200px-Stemmen2

 

Geplaatst in Anatomie van Nederland, Democratie | Tags: , , , , , , , , ,

Baarsma geeft de onwaarheid correct weer

Bij De Wereld Draait Door van 12 oktober over het regeeraccoord van VVD-CDA-D66-CU schoof Barbara Baarsma aan, econome, voormalig directeur van SEO en nu directeur Kennisontwikkeling bij de Rabobank.

Het kabinet verschuift belasting van arbeid en kapitaal naar BTW. Dat krijgt de instemming van Baarsma. Op minuut 5.50 legt ze uit:

“Een BTW is een vele minder verstorende belasting, heeft veel minder nadelen, dan een belasting op arbeid. Het is een beetje technisch, maar uiteindelijk (…)”

Zij werd in de rede gevallen door Peter R. de Vries die zorg uitte over de portemonnaie. Hierna geeft Baarsma nog enige toelichting, maar er zijn geen vragen over het “technische”, en daarmee geven de aanwezigen hun democratische spreekrecht op en schuiven alle verantwoordelijkheid af op de economische adviseurs die het wel beter zullen weten.

Het is onwaar wat Baarsma stelt, maar het is wel het gangbare economische model, en als zodanig legt ze het goed uit. Dus de kritiek t.a.v. Baarsma is dat zij niet bereid is gebleken om te kijken naar een ander model, het betere economische model, dat getroffen is door censuur door de directie van het CPB sinds 1990, destijds begonnen door Gerrit Zalm.

De betere analyse omtrent het “dynamische marginaal tarief” (“dynamic marginal tax rate”) staat in het boek DRGTPE. Het protest tegen de censuur van de wetenschap staat hier.

Het blijft opmerkelijk dat burgers hun kritische zin en democratische rechten opgeven wanneer een autoriteit spreekt, en niet eens de moeite nemen om door te vragen. Een eenvoudige vraag zou zijn geweest: Wie is het niet met uw analyse eens, en waarom zou die andere analyse niet deugen, en waar staat het artikel waarin u dat bespreekt ?

Barbara Baarsma, Screenshot DWDD 2017-10-12

Geplaatst in Democratie, Economische crisis | Tags: , , , , , , , ,

Ook in België is de gemengde breuk een drama

Een gemengde breuk 2½ betekent 2 + ½. Gangbaar betekent de uitdrukking 2dat x met 2 vermenigvuldigd wordt, zoals 2 km = 2000 meter. Ziet u het probleem ? De notatie van vermenigvuldiging maakt ook de uitkomst 2½  = 1 mogelijk, tenzij je leert dat breuken een uitzondering vormen. Mijn voorstel is voortaan gewoon 2 + ½ te schrijven, precies zoals je het uitspreekt: “twee-en-een-half”. Nog beter is de notatie 2 + 2H, met H = -1, zie hier.

Op de bijeenkomst “Onderwijs meets Onderzoek 2017″ t.a.v. de wiskunde ontmoette ik een bezoeker uit België die stelde dat daar de regel van vermenigvuldiging dominant is, zodat 2½  = 1 zou gelden. Hij gaf tevens aan niet deskundig t.a.v. het basisonderwijs te zijn, dus dat schept een voorbehoud.

Als dit bericht waar zou zijn dan zou België belangrijke praktijkervaring geven.

Helaas toont een Google dat ook de Belgen het notatieprobleem kennen. Het bestaat internationaal in de wiskunde.

In paragraaf 2.3 op pagina 15 van de “Cursus Rationale Getallen” vinden we de notatie van de “gemengde breuk”. (“De Associatie KU Leuven is een netwerk van kwaliteitsvolle hogeronderwijsinstellingen verspreid over Vlaanderen en Brussel. Samen verzorgen ze het onderwijs van bijna de helft van de studenten in Vlaanderen.”)

Bij de stagescholen voor het “medisch rekenen” zien we op pagina 14 ook weer deze verwarrende notatie. Bij een willekeurige link als WeZoozAcademy.be vinden we de “veilige” notatie 3/2. Bij het Schoolbordportaal linken de Belgen weer naar Nederland, terwijl ik juist had laten zien dat daar zelfs bij de “Stichting Goed Rekenonderwijs” juist een probleem ligt.

Conclusie: Ook in België is de gemengde breuk een drama. Terwijl er de nette oplossing is om de notatie x + y / z te gebruiken. (Een zgn. “nadeel” zou zijn dat je wat vaker haakjes moet gebruiken, maar het kan geen bezwaar zijn dat leerlingen ook het nuttige gebruik van haakjes leren.)

Een uitleg op YouTube

De Google gaf me ook een filmpje van Martijn Claassen in Nederland. Net als ik protesteert hij tegen de verwarrende notatie van 2½. Zijn oplossing is dan 5/2 te gebruiken. Dit is inderdaad veilig maar is weinig inzichtelijk t.a.v. de positie op de getallenlijn en kan onnodig rekenwerk leveren. Bekijk diens voorbeeld van de som van 2 + 2/3 en 3 + 4/5.

In optellingsvorm vinden we snel (met hulpstappen omdat H nog nieuw is):

(2 + 2/3) + (3 + 4/5)
= 5 + 2/3 + 4/5
= 5 + (5 2)/(5 3) + (3 4)/(3 5)
= 5 + 10/15 + 12/15
= 5 + 22/15
= 6 + 7/15
(2 + 2 3H) + (3 + 4 5H)
= 5 + 2 3H + 4 5H
= 5 + 2 5 5H 3H + 4 3 3H 5H
= 5 + 10 15H + 12 15H
= 5 + 22 15H = 5 + (15 + 7) 15H
= 6 + 7 15H

Claassen is gedwongen tot het gebruik van grote getallen als 40/15 + 57/15 = 97/15, met dan weer een staartdeling om de plaats op de getallenlijn te vinden. Heel wonderlijk schrijft hij vervolgens ook weer 6 7/15, terwijl hij juist adviseert om zulks te vermijden.

Screenshot: Martijn Claassen, Breuken (deel 7, de gemengde breuk)

Conclusie

De petitie tot een parlementair onderzoek naar het onderwijs in wiskunde blijft van kracht. Ook de Belgen zouden er goed aan doen.

Geplaatst in Rol van de wiskunde | Tags: , , , , ,

Boekbespreking: Wimar Bolhuis, “De rekenmeesters van de politiek”

Boekbespreking: Wimar Bolhuis, De rekenmeesters van de politiek. Doorrekeningen van de verkiezingsprogramma’s door het CPB, Van Gennep 2017, EUR 19,90 (inkijk)

Dit boek is niet alleen voor beroepsmatig betrokkenen maar ook voor geïnteresseerde kiezers zeer geschikt, en het vormt dan een noodzakelijke inleiding. Ikzelf werkte op het CPB in 1982-1991 en vind het een feest van herkenning – ook al werkte ikzelf nooit direct aan Keuzes in Kaart mee.

Van de tien miljoen kiezers zal 95% weinig met economie en cijfers te maken willen hebben. Te hopen valt dat zo’n 5% oftewel een half miljoen kiezers wel interesse toont: het gaat immers om de toekomst van het land, en boter bij de vis.

Het voordeel van economie-studeren en doorrekenen komt hier helder over het voetlicht: de verkiezingsprogramma’s zijn vergelijkbaar want zij zijn met dezelfde aannames, modellen en objectiverende houding geëvalueerd. De doorrekeningen zijn niet alleen relevant voor de verkiezingen maar spelen ook een belangrijke rol bij de formatie.

De auteur Wimar Bolhuis (1986) is een sociaal- en organisatiepsycholoog (2009) die doorging in economie (2011) en bestuurskunde (2011) en die zich nu vooral daarop toelegt. Hij is politiek assistent van staatssecretaris SZW Jetta Klijnsma en stond op plaats 49 bij de PvdA bij de verkiezingen van 15 maart 2017. Hij is bezig met een proefschrift over: “(…) de ontwikkeling van de Nederlandse rijksoverheidsfinanciën in laatste decennia. Welke keuzes maakten de politici, wat waren de beweegredenen, en hoe pakten ze uit?”

Een suggestie van een herdruk met een update

Dit boek verscheen vóór de verkiezingen van 15 maart 2017 en vóór de publicatie van de CPB-doorrekeningen voor die verkiezingen KiK 2018-2021. Voor wie het boek nu leest, komt het nu al gedateerd over. Mijn advies aan Bolhuis en de uitgever is om de oorspronkelijke versie uit de handel te nemen en een beperkt herziene editie te maken, met een apart hoofdstuk over de verkiezingen van 2017. Het lijkt niet nodig om de verkiezingen van 2017 in alle tabellen te verwerken, want dat is een grote klus zonder meerwaarde. Het volstaat om de saillante punten van 2017 te noemen, zodat de lezer van na 15 maart toch enig houvast hierover heeft. Met zo’n geactualiseerde versie kan het betoog veel langer actueel blijven.

Voor zo’n nieuwe editie zou ik ook een normaal formaat adviseren. Het boek is nu een bijna vierkante pocket van 16,5 bij 21 cm. Met anderhalve regelafstand staat er relatief weinig op de pagina’s. Bij een normaal formaat van 17 bij 24 en hogere regeldichtheid zal het minder hijgerig lezen en overzichtelijker tonen.

We zijn inmiddels gewend aan PDFs waarin je gemakkelijk wat opzoekt, maar voor een gedrukt boek blijft een index wenselijk, en die ontbreekt hier. Achterin is er een begrippenlijst, maar die zou alfabetisch mogen zijn. Het zou logisch zijn om daarnaar te verwijzen als een begrip voor het eerst genoemd wordt. Ikzelf ben voorstander van voetnoten op de pagina waarop zij gebruikt worden, in plaats van nu achterin, terwijl de vormgever lijkt te denken dat lezers anders zouden schrikken.

Vanaf 1986 naar 2017

Bolhuis neemt de lezer aan de hand vanaf de eerste doorrekening in 1986. Het is mooi om te zien hoe een eigen dynamiek ontstaat waarbij partijen huiverig zijn maar toch ook de CPB-expertise relevant achten. De doorrekeningen worden steeds verfijnder. De discussies met het CPB hebben grote invloed op denkkaders en het binnenskamers afschieten van wilde plannen. Omdat de tijd naar de verkiezingen vaak kort is, heeft het CPB nu ook achtergrondstudies “Kansrijk X-beleid“, met X = Arbeidsmarkt, onderwijs, woon, mobiliteit, innovatie.

In het begin liet het CPB politieke partijen meer ruimte voor een politiek getinte aanname over de effecten van maatregelen, tegenwoordig geeft het CPB beter aan wat de kaders en marges zijn. Dit bevordert de vergelijkbaarheid van uitkomsten over partijen, met ‘Gelijke monnikken, gelijke kappen’.

Bolhuis bespreekt eerst de aannames (inputs) en daarna de uitkomsten (outputs). Bij de aannames komt de belangrijke rol van de ambtelijke Studiegroep Begrotingsruimte goed tot zijn recht. Hier zien we ook hoe belangrijk het is dat het CPB onderdeel uitmaakt van de rijksoverheid. De rijksoverheid met zijn diverse ambtelijke kanalen en niet alleen het CPB zelf bepaalt de kaders voor de middellange termijn (het MLT pad).

Economie gaat over meer dan je denkt

Het onderscheid tussen meetbare en moeilijk-meetbare aspecten kan wat versluierend zijn, want wat goed meetbaar is (zoals inkomen) is vaak ook een indicator voor iets ruimers. Voor de meetbare uitkomsten is er een lange traditie met ook ontwikkelde (CBS) statistieken, en een nieuwe loot zoals het houdbaarheidstekort. Bij moeilijk meetbare uitkomsten is het nog aanmodderen met indicatoren. In het onderzoek naar de zorg bestaat er al langer ervaring met de “quality adjusted lifeyears gained” (QALY) maar deze worden vooral gebruikt in micro-onderzoek bij vergelijkbare uitkomsten, en het is toch heel wat anders om deze ook macro te gaan gebruiken wanneer de kwaliteiten waarvoor je aanpassingen pleegt minder goed vergelijkbaar zijn. Voor een discussie over dit soort zaken ontkom je echter niet aan indicatoren. (Zie ook mijn eigen suggestie ‘on the value of life‘.)

Het is ook mooi te zien hoe het vak economie hier tot zijn recht komt. Economie gaat over het maken van keuzes bij schaarse middelen. Menigeen ziet economie als een kwestie van geld, maar veel zaken zijn niet goed in geld uit te drukken terwijl je toch keuzes moet maken. Het planbureau heeft zijn basis in meetbare verschijnselen waarin vaak ook geld gebruikt kan worden, maar dit geeft juist aan politici de ruimte om uiting te geven aan de preferenties voor de minder goed meetbare zaken.

Economisch Trilemma

Bij de uitkomsten presenteert Bolhuis het “economisch Trilemma”. Dit is een nuttige vereenvoudiging om een begin te maken met politieke keuzes die natuurlijk complexer zijn:

1. Zuinige overheidsfinanciën (EMU-saldo of –schuld)
2. Inkomensgelijkheid (vervangingsratio en koopkracht)
3. BBP-groei en werk

Een keuze bij het ene heeft invloed op de andere twee. Bolhuis bespreekt deze relaties en verduidelijkt daarmee ook wat je op zijn minst van de CPB-modellen moet weten (en aldus van de Nederlandse economie althans volgens het CPB) om hierin keuzes te gaan maken. (DNB heeft het Delfi model online waarin je zelf aan de knoppen kunt draaien.)

Niet alleen het model is relevant maar ook hoe het CPB het toepast. Jeroen Dijsselbloem gaf de kritiek dat Groenlinks mooie resultaten kreeg doordat de baten naar voren werden gehaald terwijl de kosten na de periode vielen waarvoor het CPB de doorrekening deed.

“Bovendien zal de opslag op de energierekening, waarmee de subsidiepot voor duurzame energieopwekking wordt bekostigd, bij GroenLinks meer dan vertienvoudigen na 2021 tot € 800 extra per gezin. ‘Stiekeme truc is dat je ’t niet ziet in koopkrachtplaatjes’, aldus Dijsselbloem omdat het Centraal Planbureau niet verder kijkt dan de effecten gedurende de volgende kabinetsperiode.”

T.a.v. het houdbaarheidstekort is al een belangrijke stap gezet naar zelfs intergenerationele vergelijkingen, maar het beoordelen van resultaten die na een kabinetsperiode vallen blijft een heikele kwestie.

De sociale welzijnsfunctie (SWF)

In de economische theorie bestaat er de notie van een “sociale welzijnsfunctie” (ook wel welvaartsfunctie genoemd, maar het Engelse “welfare” betreft welzijn). Denk aan aan grootheid als SWF[werkloosheid, inflatie, inkomensgelijkheid, … ] waarbij iedere politieke partij zijn eigen doelen en gewichten heeft. De gesprekken van politieke partijen met het CPB kunnen gezien worden als een exercitie om het optimum van de eigen SWF te vinden, zonder deze functie nader te specificeren. (In theorie is het voorstelbaar om op grond van de bestaande negen doorrekeningen een schatting te maken van hoe partijen e.e.a. afwegen.)

In 1959 hebben Van Eijk en Sandee onderzoek gedaan naar de mogelijkheid van een collectieve welzijnsfunctie. De directie van het CPB heeft blijkbaar moeite met deze aanpak gehad en daarbij ook verwezen naar het “onmogelijkheidstheorema” van Arrow. De directie heeft hier blijkbaar enkele misverstanden, zie deze bespreking. Het huidige gebruik van computermodellen is eigenlijk zeer ondermaats. Wanneer je ziet wat er aan Big Data en supercomputers bestaat dan worden de mogelijkheden om onze economie aan te sturen onderbenut. Wel is het zo, dat de theorie bij het CPB nog niet op orde is, en dan het heeft natuurlijk geen zin om al te gaan rekenen.

Hierbij moet ook de studie van Stokman cs. genoemd worden. Zij bekijken de mogelijke coalities o.g.v. de huidige zetelverdeling en zij steunen derhalve op informatie die door de CPB-exercitie vergelijkbaar is gemaakt. Stokman cs. kijken naar de kleinst mogelijke meerderheid, terwijl mijn suggestie is juist naar afspiegelingskabinetten met de grootst mogelijke meerderheid te kijken. Kiezers kunnen de zetelverdeling natuurlijk nog niet gebruiken voor een strategische stem t.a.v. een coalitie. Aan Bolhuis wil ik toch de suggestie doen de lezer op deze aanpak van Stokman cs. te wijzen, want het vormt een natuurlijk vervolg op de doorrekeningen en de verkiezingsuitslag.

Kritiek op CPB

In het boek komt minder goed uit de verf welke kritiek er bestaat. Dat is niet onmiddellijk een groot bezwaar, want men dient toch eerst te weten wat er gedaan wordt door de politieke partijen, de Studiegroep Begrotingsruimte en het CPB, alvorens men oog voor die kritiek kan hebben. Het is al heel wat dat zoveel betrokkenen al zoiets tot stand brengen – en stuurlui aan de wal kunnen van alles roepen.

Laat ik twee kritische geluiden uit een breed spectrum noemen, niet t.a.v. de doorrekeningen maar t.a.v. CPB-modellering op zich.

  1. Bas Jacobs (hoogleraar economie) met deze kritiek
  2. Cor Mol (gepensioneerd accountant met beta-achtergrond) over deze luchtfietserij

We zijn dan meteen ook diep in de economische discussie. Ondanks zulke kritiek op de CPB-modellen en berekeningen, is het niet onredelijk te denken dat de verschillen in uitkomsten voor de partijen toch een beeld geven van de werkelijke verschillen, zodat er wel degelijk wat te kiezen valt. Voor het CPB is het een dankbare exercitie omdat het bureau hier duidelijk een bijdrage aan de algehele democratische proces levert. Wanneer er een probleem zou zijn, ligt dit elders.

20004701_rekenmeesters

Auteur Wimar Bolhuis (derde van rechts) met (voormalige) CPB-directeuren Henk Don, Laura van Geest, Gerrit Zalm, Peter de Ridder en Coen Teulings (Foto: CPB)

Kritiek op partijen

Ik heb het boek er niet speciaal op nagelezen, maar ik kan me ook voorstellen dat naast kritiek op het CPB ook kritiek op partijen mogelijk is. Zo heb ikzelf ooit bij de SP en het boek “Hoe dan, Jan?” geconstateerd dat gesteld werd dat het verkiezingsprogramma met mooie resultaten door het CPB was doorgerekend, terwijl nader kijkend bleek dat het CPB cruciale onderdelen van dat programma juist niet had doorgerekend. Een vraag is dan of het CPB de resultaten zo kan presenteren dat de partijen er niet mee aan de haal gaan.

Eerdere boekbesprekingen door anderen / Het Economisch Hof

Informatief zijn deze boekbesprekingen door Roel Visser in ESB, en Jule Hinrichs en Ulko Jonker in het FD, en Philip de Witt Wijnen in de NRC.

Auteur Bolhuis stelt op pag 173:

“Ik vind het belangrijk dat mensen weten waarom, hoe en op basis waarvan het CPB het politieke speelveld mag bepalen.”

Bolhuis roept vervolgens zoveel vragen op, dat het waarom juist onduidelijk blijft. Roel Visser observeert:

“Na het expliciete overzicht van de verschillende voors en tegens is het uitblijven van een duidelijk antwoord bij Bolhuis op de opgeworpen controversiële vragen echter onbevredigend, juist omdat hij zo zorgvuldig alle voors en tegens aanstipt. “

Mijn impressie is dat ikzelf dit probleem van Bolhuis en Visser al heb opgelost. Een deel valt helaas onder de censuur door de directie van het CPB, en men moet die censuur opheffen opdat die oplossing op correcte wijze kan worden besproken.

Naar een Economisch Hof

Wie werkelijk wil dat economisch-wetenschappelijk advies over de regeringsbeleid of verkiezingsprogramma’s tot zijn recht komt, moet de Trias Politica uitbreiden met een grondwettelijk Economisch Hof dat toeziet op de kwaliteit van informatie. Economen zijn het onderling vaak oneens – vooral wetenschappers die immers de taak hebben om nieuwe inzichten te ontwikkelen – maar een Hof kan tot overeenstemming komen, zie ook juristen die het oneens zijn maar wel een Hoge Raad hebben. Een Economisch Hof lost ook het “probleem” op dat economen gaan ramen wat politici gaan doen, ook wanneer die politici wellicht niet (gaan) doen wat ze beloven.

Mijn boek DRGTPE is de wetenschappelijke bespreking, met ook een bewijs via een herleide vorm model. De economische crisis van 2007+ bewijst mijn analyse, zie het boek CSBH. En hier is een bespreking van een CPB-boek waarvan Mathijs Bouman de leesbaarheid heeft bevorderd.

Ter besluit

De onderhavige problematiek is inspirerend. Socrates en Plato vroegen zich al af wat het goede en wat bruikbare kennis was. Anno 2017 hebben we het spanningsveld tussen politici en economische wetenschappers. Wimar Bolhuis houdt de problematiek inspirerend, en geeft de lezer een zeer goede inkijk in onze hedendaagse aanpak.  Helaas heeft hij nog niet gehoord over de censuur van de wetenschap sinds 1990 door de directie van het Centraal Planbureau, althans geeft hij de lezer deze kennis ook niet mee.

Addendum 2017-06-01

Anders ligt het met Frank den Butter t.a.v. diens bespreking van de CPB-doorrekeningen, in Openbare Uitgaven 2002 – inmiddels opgegaan in het Tijdschrift voor Overheidsfinanciën. Den Butter:

“Naar mijn mening is echter de wetenschappelijke kwaliteit en integriteit van het Centraal Planbureau en de aldaar opgebouwde kennis en ervaring met de economische beleidsanalyse in ons land op zich als een voldoende garantie dat de balans van maatschappelijke kosten en baten van de doorrekeningsexercitie naar de baten doorslaat.”

Men dient hier zorgvuldig onderscheid te maken tussen CPB-directie en CPB-medewerkers. Ook is er onderscheid naar activiteiten en hun condities. Veel activiteiten kunnen veel kwaliteit hebben maar er kan toch een probleem zijn t.a.v. een bepaalde conditie. De doorrekeningen van de verkiezingsprogramma’s zullen wel correct zijn t.a.v. de vigerende CPB-modellen, maar er blijft censuur t.a.v. economische analyse waarop die modellen zijn gebaseerd. De stelling door Den Butter is derhalve onevenwichtig.

In dit geval was Den Butter (VU) betrokken bij mijn onheus ontslag in 1991, en in tegenstelling tot Wimar Bolhuis kan hij zich niet beroepen op gebrek aan kennis. Op een bijeenkomst van NWO-Ecozoek in 1991 meldde ik de censuur van de wetenschap door de directie van het CPB.  Als voorzitter nam Den Butter de melding niet in behandeling, maar deed aan de directie van het CPB een bericht met een verkeerde voorstelling van zaken alsof ik de persoonlijke integriteit van directeur Zalm (VU) ter discussie had gesteld. Er werden drie getuigenverklaringen verzameld en Den Butter’s weergave was daarmee ontkracht.  Zie dit verslag. Toch deed Den Butter verder niets met mijn melding, en ook zag ik me daarna ontslagen, met andere onwaarheden. (Ook was mijn ontslag niet gebaseerd op gebrek aan expertise, dus ook daar is Den Butter onevenwichtig.)

Bij diens bespreking van 65 jaar CPB in TPE-digitaal maakt Den Butter geen melding van mijn protest tegen de censuur van de wetenschap sinds 1990 door de directie van het CPB. Hij geeft ook geen disclaimer t.a.v. zijn eigen rol. Zie mijn protest, dat de redactie van TPE-digitaal niet plaatste.

Post Scriptum. Pas op voor het enge denkraam van Mirjam de Rijk

Mirjam de Rijk is een van de auteurs die kritisch over het CPB schrijven. Zij betoogde in de Volkskrant 2016-01-02 dat het CPB een ongezonde invloed op Nederland heeft. Onduidelijk bleef daarbij of Nederland tegen een stootje kan, of dat het land inmiddels doodziek is.

De wetenschappelijke mores vereisen dat de argumenten van De Rijk inhoudelijk worden besproken, en dat men de bal en niet de vrouw speelt. Men kan niet zomaar stellen dat De Rijk ondeskundig is zodat het geen zin heeft om hierop in te gaan.

Toch meen ik dat er alle reden is om aan die deskundigheid te twijfelen. Op haar website meldt ze:

“Studeren duurde me te lang, ik ging na het vwo direct in een buurthuis werken en bij het Grand Theater in Groningen. En schreef voor de door onszelf opgerichte stadskrant. Zo werd ik journalist. Begonnen bij de Winschoter Courant, daarna freelancer voor Intermediair, HP/De Tijd, Trouw. Zes jaar sociaaleconomisch en politiek redacteur van de Groene Amsterdammer. In 1999 de overstap naar GroenLinks, als landelijk partijvoorzitter. In 2004 werd ik algemeen directeur van Stichting Natuur en Milieu. De afgelopen jaren, tot mei 2014, was ik wethouder in Utrecht voor financiën, economie, openbare ruimte, en milieu/duurzaamheid.”

Actievoeren en politiek bedrijven is toch wat anders dan studeren en wetenschappelijk onderzoek doen. Jezelf journalistiek ontwikkelen is mooi, maar aangehaald krantenartikel blijkt een politieke opinie en geen journalistiek verslag.

Bij De Groene in blijkbaar 1993-1999 rapporteerde De Rijk op 31 maart 1993 (pag 4-5) een artikel over het functioneren van het CPB: “Dogma’s. ‘Laat het Centraal Planbureau maar schuiven’”. In dit artikel gaat zij voorbij aan de censuur sinds 1990 en de gevolgen daarvan. Dat is zo gebleven.

Op een bijeenkomst van het “Nederlands Sociaal Forum” (NSF) in 2004 ben ik De Rijk tweemaal tegengekomen:

  • In de ochtend in een paneldiscussie, hier is verslag. Men ging daar voorbij aan het punt dat het CPB een natuurlijk monopolie heeft. Dit punt werd in 2016 ook naar voren gebracht door Nico Lemmens, in antwoord op bovenstaande opinie van De Rijk. Bij een monopolie dient men goede regelingen te hebben, die hier nu ontbreken.
  • In de middag bij een andere sessie was zij gespreksleider en mishandelde zij mijn vraag uit het publiek. Omdat zij was aangekondigd als nieuwe directeur van SNM zond ik een protest brief aan SNM.

De Rijk’s partner blijkt mij nu Wijnand Duyvendak, die ook activisme boven studeren verkoos, en die in 2008 als kamerlid aftrad omdat hij opschepte over een inbraak in het Ministerie van Economische Zaken.  GroenLinks vertoont daarvoor een opmerkelijke tolerantie, want op de verkiezingsavond dankte Jesse Klaver Duyvendak, die de campagneleider blijkt te zijn geweest.

De politieke opkomst van Klaver kan verklaard worden door de ineenstorting van de PvdA, met ook minder gewonnen zetels dan eerst gedacht. Klaver zelf deed een HBO-opleiding voor sociaal werk, en probeerde een schakelprogramma voor een opleiding politicologie maar stopte daarmee.

GroenLinks kwam tot stand in 1990 in een wonderlijke fusie van getuigenispartijen PPR, PSP, EVP met gestaalde kaders van de CPN die na de ineenstorting van het communisme een nieuwe schutkleur van het milieu vonden. Ik heb nooit begrepen hoe dit kon, en wellicht kunnen de journalisten van Follow The Money (FTM) hier onderzoek naar doen, zeker nu Wijnand Duyvendak blijkbaar nog steeds zo prominent is. Bij de formatie heeft GroenLinks nu afgehaakt. Men moet er niet aan denken dat zulke activisten ook nog minister of staatssecretaris hadden kunnen worden.

PM. Bovengenoemd NSF initiatief blijkt vooral van SP-aanhangers te komen, via het principe van “boeien, binden, benutten“. Zie ook zulk initiatief t.a.v. zo’n DSE-platform. Ontluisterend is te zien hoe zoiets kan doorwerken in het economisch onderwijs, zie mijn protest tegen de “pluriforme economie” van Irene van Staveren en Rob van Tulder.

Politiek staat open voor iedereen, ook voor een Nederlandse Donald Trump. Dit pleit er des te meer voor dat het CPB bestuurlijk niet ondergeschikt blijft aan de minister van Economische Zaken, die blijkbaar verzaakt om de wetenschap tegen censuur te beschermen, en die ambtenaren als Gerrit Zalm en Laura van Geest tot directeur benoemt. Laat Nederland de stap zetten naar een grondwettelijk Economisch Hof, zoals boven uitgelegd. De eerste stap is een parlementaire enquete naar het CPB, die de beschikbare informatie toegankelijk maakt.

Addendum 2017-05-27

Ik zag nog deze journalistieke bespreking door Marcel ten Broeke in RD 2016-10-03. Wie goed leest kan zien dat de kritiek vaak niet zozeer het CPB geldt maar vooral hoe anderen op bevindingen van het CPB reageren. De journalist verwijst naar filosoof-geograaf Ewald Engelen, wiskundige / wiskundig econoom Eduard Bomhoff, en econometristen Paul de Beer en David Hollanders. Eerder heb ik kritiek t.a.v. standpunten van dezen geformuleerd welke zij negeerden. Op deze manier is er geen vooruitgang.

Genoemd wordt kritiek door econometrist David Hollanders die bij het wetenschappelijk bureau van de SP werkte. Echter, Hollanders heeft nooit gecorrigeerd t.a.v. zijn verkeerde voorstelling van zaken in De Groene, zie hier.

Er is kritiek door econometrist Paul de Beer, maar, toen ik nog bij het CPB werkte en nog lid van de PvdA was, blokkeerde Paul de Beer mijn suggestie dat ik mijn analyse over werkloosheid bij de Wiardi Beckman Stichting presenteerde. De WBS / PvdA toont geen interesse in een nieuwe analyse over werkloosheid ? Natuurlijk ben ik geen lid van de PvdA meer. Later bleek mij dat De Beer een voorstander is van een basisinkomen. Daar blijkt sektarisch denken heel sterk.

Er wordt verwezen naar een nummer van Beleid en Maatschappij. Daar zien we ook bijdragen van Ewald Engelen  en Alfred Kleinknecht – maar achter een betaalmuur waarbij het niet uitnodigend is daarvoor te gaan betalen.

Marcel ten Broeke sluit af met de suggestie dat er meer onderzoeksinstituten naast het CPB zouden moeten komen. Blijkbaar snapt ook hij nog niet dat er een natuurlijk monopolie is. Zulke dienen gereguleerd te worden. In mijn analyse leidt dit tot de conclusie van de noodzaak van een Economisch Hof, met als taak: toe te zien op de kwaliteit van de gebruikte informatie.

Geplaatst in Monitoren van vooruitgang | Tags: , , , , , , , , ,