Stuk Rood Vlees belazert Willem-Alexander

Mijn achtergrond sinds 1982 is econometrie, staathuishoudkunde (Political Economy) en Public Choice, en sinds 2008 ben ik ook eerstegraads bevoegd leraar wiskunde.

Voor augustus 2017

Gordon Tullock beschreef Public Choice als:

“the use of economic tools to deal with traditional problems of political science

Ik heb het een en ander onderzocht op dit terrein: aan de Stelling van Arrow, aan de Trias Politica en Tinbergen’s vraagstuk van de optimale maatschappelijke orde, een boek “Voting Theory for Democracy“, over de ontketende kiezer en de kroonjuwelen van D66, over de didactiek van het verschil tussen evenredige vertegenwoordiging en districtenstelsel, hier samengevat in Mathematics Teaching 222, en sinds 2016 ook onderzoek naar de onderliggende redenen voor Brexit.

Voor dit onderzoek heb ik niet slechts gekeken naar de literatuur in de Political Economy of Public Choice, maar ook bij de alternatieve aanpak door de politicologen.

Helaas heeft mijn onderzoek geen aandacht gekregen van politicologen. Wel waren er wiskundigen die voorrang gaven aan abstractie en daarmee verkiezingen verkeerd voorstelden, zie het opstel: “Pas op met wiskunde over verkiezingen“. Politicoloog Robert Dahl (1915-2014) voelde aan zijn water dat die wiskundigen verkeerd bezig waren maar kon niet aangeven wat er precies mis was, verzon een eigen antwoord, en droeg zo bij aan verwarring.

Vanaf augustus 2017

Mijn probleem met Gordon Tullock’s definitie is dat mij in augustus 2017 bleek dat de “political science on electoral systems” (preciese aanduiding van deze tak) geen empirische wetenschap is, maar nog vastgeklonken aan de geesteswetenschappen. De traditionele aannames uit filosofisch denken blijken daar nog belangrijker dan goed waarnemen waar je nu precies mee bezig bent. Het bewijs voor deze diagnose staat in dit artikel uit 2018: “One woman, one vote. Though not in the USA, UK and France“. Gordon Tullock (1922-2014) gebruikte nog de term “political science” maar hij had beter “political humanities” kunnen schrijven. Mijn diagnose in 2017 is dus een belangrijke en wereldschokkende ontdekking. We kunnen nu beter begrijpen dat de wereld door die politicologen verstierd wordt, die zich voordoen als harde empirische wetenschappers en zelfs zogenaamde ingenieurs maar eigenlijk tovenaarsleerlingen zijn.

In augustus 2018 is er dit boek “Democratie met en door Wetenschap” (DMDW), met hier een reactie door bestuurskundige Joost Smits. Dit is de eerste keer ooit van een reactie op mijn werk door iemand uit de wereld van politicologie en bestuurskunde (afgezien van de korte weblog reacties op het LSE weblog hieronder).

Vers van de pers is dit memo van 17 oktober 2018 in de Newsletter van de UK Royal Economic Society (RES), dat een overzicht geeft van mijn bevindingen in 2016-2018 over Brexit: “Brexit’s deep roots in confusion on democracy and statistics“.

Addendum 6 november 2018

Me Judice heeft nu deze variant van de tekst over de Brexit, met ook een verwijzing naar de Nederlandse Staatscommissie parlementair stelsel (Scps).

Addendum 24 oktober 2018

De toespraak van het staatshoofd in de Royal Gallery staat hier. De sleutelpassage is deze:

“The United Kingdom has decided to leave the European Union. It truly saddens us to see a close partner leave. But of course, we fully respect your country’s choice.”

Wanneer de Britten bij de EU zouden blijven omdat ze goede informatie ontvangen, dan zou dit verdriet zijn opgelost. De goede informatie is dat “politicologie over kiesstelsels” (inclusief referenda) een pseudo-wetenschap is gebleken. De Britten hebben voor een goed deel van een eeuw hierover verkeerde informatie van hun academies ontvangen. Dit is een nieuwe ontdekking uit augustus 2017, die staat bewezen op MPRA 84482 van 11 february 2018.

Wanneer de Britten uit de EU willen kun je dat slechts respecteren. De wetenschappelijke ethiek blijft echter dat je mensen goede informatie moet geven. Nederlandse wetenschappers hebben hier een taak, zowel aan het publiek (met contacten in de UK) als aan collegae wetenschappers (met contacten in de UK). Wanneer Nederlandse politicologen, de Nederlandse Kring voor de Wetenschap der Politiek (NKWP) en het weblog Stuk Rood Vlees (SRV) correct op deze ontdekking uit 2017 hadden gereageerd, dan had deze toespraak van het staatshoofd heel anders kunnen luiden, en had de herbezinning ook veel eerder kunnen zijn begonnen. Vanzelfsprekend is mijn analyse in het Engels en hadden de Britten ook zelf kunnen lezen, maar zij hebben niet de praktische ervaring met het Nederlandse stelsel van gelijke evenredige vertegenwoordiging en hebben in pseudo-wetenschap daarover vooroordelen ontwikkeld.

NKWP en SRV

In Nederland is er de Nederlandse Kring voor de Wetenschap der Politicologie (NKWP). Het bestuur van de NKWP had er geen begrip voor dat ik een zij-instromer was en bleek niet bereid om alleen nog maar met me mee te denken hoe om te gaan met de diagnose dat de “politicologie over kiesstelsels” geen empirische wetenschap blijkt. In mei 2018 was ik lid geworden van NKWP maar eind september zegde ik dat lidmaatschap op, want het is bizar dat men er niet eens over wil meedenken, zie mijn brief aan het bestuur.

In de Nederlandse wereld van de politicologie is er ook het weblog “Stuk Rood Vlees” (SRV). Dit weblog is opgezet vanuit de academische politicologie om een brug te slaan naar het maatschappelijk debat. Degenen die SRV hebben opgezet vormen de redactie, en daarnaast zijn er diverse auteurs waaronder bijv. ook sociologen. De NKWP geeft SRV subsidie. Het “mission statement” van SRV stelt:

“Ons belangrijkste doel is dan ook om politicologisch onderzoek toegankelijk te maken voor een breder publiek, zoals The Monkey CageAndrew Gelman en Nate Silver de afgelopen jaren hebben gedaan.”

Maar Nate Silver heeft een achtergrond in economie en is doorgegaan in statistiek van verkiezingsuitslagen. Vervolgens staat de Monkey Cage ook open voor economie:

“We publish political scientists, usually in universities or comparable research positions, writing about their particular area of expertise. Occasionally we publish pieces by scholars in affiliated disciplines — such as sociology, economics, psychology, or history — if their contributions are relevant to politics.”

Opname van een bijdrage vanuit staathuishoudkunde en Public Choice zou dus ook vallen onder de “mission statement” van SRV. Een bijdrage hoeft niet uit de universiteit maar mag ook een “comparable research position” zijn. Als SRV inderdaad daaraan voorbeeld neemt.

Niet alleen persoonlijk maar met status

De oprichters van SRV schrijven:

“En oké, we zijn natuurlijk vooral gigantische nerds die het leuk vinden om in onze vrije tijd over ons werk te schrijven.”

Ik geloof graag dat redactie en auteurs in hun persoonlijke tijd aan SRV bijdragen met liefde-werk-oud-papier. Aan de academie dienen zij zich te concentreren op publicaties in tijdschriften. Het hangt er maar vanaf hoe de beloningsstructuur aan een academie is. Gezien dit persoonlijk aspect zou je kunnen proberen te stellen dat de academies geen bemoeienis met SRV hebben. Toch, SRV profileert zich met een status die aan de academische aanstellingen worden ontleend, zie het “Over SRV“. Dus het is wel degelijk piggy-backing op de universiteiten. Bij kritiek op SRV mogen ook de universiteiten zich aangesproken voelen. Wanneer VVD-voorzitter Henry Keizer in zijn persoonlijke tijd op een bepaalde manier geld verkrijgt dan kan toch de VVD aangesproken worden op de gang van zaken. Dus wanneer politicologen de wereld voorspiegelen dat zij “science” zijn terwijl zij dat niet zijn dan kunnen ook de universiteiten daarop worden aangesproken, hoezeer ook de redactie hun betrokkenheid bij SRV als iets persoonlijks ervaren.

Hetzelfde onderwerp, maar Public Choice en geen “political science”

Ikzelf doe zowel wetenschap als een brug slaan van wetenschap naar de maatschappij. De voor mij relevante onderwerpen zijn gelijk als bij SRV, alleen kijk ik ernaar vanuit de achtergrond van de econometrie en nu ook de didactiek van wiskunde.

De kritiek op de redactie van SRV

De redactie van Stuk Rood Vlees (SRV) op 19 oktober 2018:

  • negeert de kritiek dat “politicologie over kiesstelsels” pseudo-wetenschap is gebleken, want de redactie weigert naar het bewijs te kijken,
  • lastert per email aan bestuur en leden van de NKWP dat die ontdekking niet onderbouwd zou zijn,
  • en misleidt de lezers door hen de kritiek te onthouden, en op SRV door te gaan met zulke pseudo-wetenschap.

Tom Louwerse staat hier nu voor het collectief van de redactie

Mijn communicatie met de redactie van SRV hierover was met Tom Louwerse (Leiden) cc redactielid Tom van der Meer (UvA) en subsidiegever secretaris Walther Kok van de NKWP. Bij het cc aan Tom van der Meer kwam van zijn kant geen protest. Eventueel had hij er geen tijd voor, eventueel was hij het ermee eens.

Mijn diagnose betreft de redactie, aldus het collectief, en de andere leden zouden kunnen stellen dat het alleen Tom Louwerse is, cc Tom van de Meer. Dus zou ik hen allen moeten aanschrijven om dit na te gaan, en allen vragen om naar die email-uitwisseling met Tom Louwerse te kijken. Echter, voor Brexit moeten we onze tijd goed benutten. Vooralsnog volstaat het om SRV collectief aan te spreken op het wangedrag door Tom Louwerse. De andere leden van de redactie mogen vervolgens laten weten wat ze van dat wangedrag vinden.

Voorgeschiedenis met SRV 2017

Op 13 mei 2017 attendeerde ik de redactie van SRV, ieder direct aangeschreven inclusief Tom Louwerse omdat er geen centraal redactie-adres is, op dit memo in de RES Newsletter: “Voting theory and the Brexit referendum question“. Ik schreef de redactie:

“Wanneer u op SRV een verslag van de situatie zou doen, zou mijn advies zijn mij eerst een concept te laten lezen. Ik zou dit laatste toejuichen, want mijn advies is dat wetenschappers uit de EU incl. UK aan de bevolking van de UK uitleggen dat de Brexit referendum vraagstelling wetenschappelijk ondeugdelijk is. Eventueel neemt u dit advies kort op SRV op met verwijzing naar de betreffende links.”

Op 17 mei 2017 meldde ik de redactie dat het Brexit blog van de London School of Economics dit memo had overgenomen, nu met de titel: “The Brexit referendum question was flawed in its design. Aan de redactie van SRV vroeg ik:

“Is er onder u reeds iemand die het argument begrijpt en ondersteunt ?”

Helaas kreeg ik wederom geen antwoord. We nu naar het LSE Brexit blog kijkt, ziet dat dit artikel in oktober 2018 nog steeds een van de populairste bijdragen is, zie de rechter kolom aldaar.

De UK ging op 8 juni 2017 naar de stembus. Me dunkt dat de Nederlandse “politieke wetenschappers” en beslist ook SRV aldus gefaald hebben om hun UK collegae in te lichten om het weer aan de UK kiezers door te geven wat er aan de hand was. Ja, de SRV wil een brug slaan van wetenschap naar maatschappij, maar dan denkelijk zonder te weten wat wetenschap is.

Afgewezen workshop voor Politicologenetmaal 2018

Voor het Politicologenetmaal 2018, gehouden in Leiden, diende ik het voorstel in dat staat in Appendix F van mijn opzeggingsbrief aan de NKWP. Van Tom Louwerse kreeg ik op 15 december 2017 bevestiging dat het was aangekomen. Mij is onduidelijk of Louwerse alleen logistiek betrokken was of dat hij meedeed met de inhoudelijke selectie. Die inhoudelijke selectie heeft niet per se betrekking op de wetenschappelijke kwaliteit maar eerder op wat de organisatoren denken waar belangstelling voor is. Van Hans Vollaard kreeg ik een terugmelding op 11 januari 2018 dat mijn voorstel in Appendix F was afgewezen.

“Allereerst wil ik u hartelijk danken voor uw voorstel om een workshop te organiseren op het Politicologenetmaal 2018. Nu is het geval dat er meer voorstellen zijn dan er mogelijk is. Bovendien zijn er verschillende voorstellen met aanverwante thema’s, die breder van opzet zijn, voorgesteld door een Vlaams-Nederlands duo, dan wel uitzicht geven op afdoende aantal deelnemers. Het organiserend comité heeft daarom besloten uw voorstel af te wijzen. Dat neemt niet weg dat u wellicht met uw paper bij een andere workshop terecht kan, als de directors het accepteren uiteraard, gezien de aanverwante thema’s. Het spijt me dat ik u dit moet berichten, maar ik hoop op uw begrip.”

De Nederlandse politicologie heeft zo bespreking tegengehouden van het bewijs van de diagnose dat “politicologie over kiesstelsels” nog geen empirische wetenschap is. Maar het kan ook zijn dat bijv. ook de lezer dezes meent dat diagnose en bewijs geen belangrijke ontdekking zijn, en dat ik er maar mee moet rondleuren totdat een pseudo-wetenschapper begrijpt dat men verkeerd bezig is. Het is natuurlijk alleszins mogelijk dat de politicologie de econometrische methodologie niet begrijpt – zie mijn opzeggingsbrief aan de NKWP t.a.v. de behandeling van de kloof tussen Zijn & Moeten, Is & Ought, Sein und Sollen. Toch, ook aan de universiteiten zou het mogelijk moeten zijn om respect voor wetenschap op te brengen, en vervolgens via bespreking van het bewijs ook de diagnose te gaan begrijpen.

Volledigheidshalve: Ik heb het paper met het bewijs ook toegezonden aan workshop 5, maar kreeg op 30 maart 2018 van Eline Severs (VUB) te horen, wederom zonder argumentatie, dus “peer review” kan men het niet noemen, het is alleen een selectie op onderwerpen die bij de organisatoren in de smaak vallen:

“It is with regret that I inform you that your paper has not been selected for the Politicologenetmaal workshop on the quality of representative democracy. The pool of submissions was quite competitive this year, but we hope that this will not discourage you from submitting to the conference in the future.”

Deelname aan de workshop over methodologie

Mijn analyse heeft een methodologische component. Hier is een samenvatting van mijn visie op methodologie en filosofie van wetenschap.

Bestuurskundige Joost Smits nodigt me uit voor de workshop 18 op het Politicologenetmaal op 8 juni 2018 om deze twee presentaties te geven: (1) Sheets over SDID met toepassing t.a.v. Brexit, (2) Sheets over het theorema van Arrow. Op 7 juni is er een uitvaart in dierbare kring en ik schrijf Eline Severs dat ik niet aan haar workshop kan deelnemen.

SRV blokkeert “dit soort boekenrecensies”

In augustus 2018 publiceerde ik “Democratie met en door Wetenschap(DMDW). Dit ontving een positief gezinde reactie van Joost Smits. Aan Tom Louwerse, cc Tom van der Meer, stelde ik voor dat Smits, die daartoe bereid was, dit mocht uitwerken tot een nette recensie voor SRV. Niet onbelangrijk is dat DMDW een kritisch advies geeft aan de Staatscommissie parlementair stelsel (Scps), waarvan Van der Meer lid is. Het eindrapport van deze Scps wordt eind 2018 verwacht. Het zou de brug tussen wetenschap en maatschappij dienen wanneer zulke kritische geluiden als in DMDW ook op SRV gehoord zouden kunnen worden. Veel kritische geluiden over het werk van deze Scps zijn er op SRV nog niet te zien.

Joost Smits doet “peer-review on the spot” en schrijft me, en ik citeer aan SRV op 30 augustus 2018:

“(…) ik denk dat de wetenschap gediend is met jouw werk en hoe meer mensen de lust krijgen om het tot zich te nemen hoe beter.”

Op 31 augustus, direct bij terugkomst van zijn vakantie, denkt Tom Louwerse, cc Tom van der Meer, er iets anders over:

“Vriendelijk bedankt voor uw bericht en uw aanbod. Ik moet u helaas mededelen dat we niet op uw aanbod in zullen gaan, omdat het publiceren van dit soort boekrecensies niet binnen de aanpak van Stuk Rood Vlees past. Allicht is er een platform te vinden dat hier wel belangstelling voor heeft.”

Het is mij onduidelijk wat Louwerse met “dit soort” bedoelt. Ja, het boek is zelf-gepubliceerd, maar mijn email aan SRV geeft het peer-review citaat van Smits en verwijst naar het Politicologenetmaal. Wanneer Louwerse het bezwaar precies had geformuleerd dan had kunnen blijken of er een misverstand was, maar op deze manier is er geen communicatie behalve het toewenden van de rug.

Op 1 september reageer ik aldus:

“Hartelijk dank voor uw snelle reactie, zoals u net terugkomt van vakantie. Misschien mag ik u vragen om mee te denken, wanneer een recensie van de bundel DMDW niet kan.”

Hierop krijg ik echter geen reactie. Merk ook op dat Louwerse niet aanbiedt om zo’n ander platform te helpen vinden. Zijn “allicht” toont dat hij niet begrijpt hoe moeilijk het is om die brug van wetenschap naar maatschappij te krijgen. SRV valt voor hem zomaar als manna uit de hemel, en zoiets moet dan toch ook bij anderen het geval zijn. Echter, bij kranten zijn er bijvoorbeeld “redacties economie” en “redacties wetenschap”, maar de combinatie valt niet te vinden, zie mijn bijdrage aan NWO Bessensap.

Ik stel mij zo voor dat sommigen denken dat “peer review bij tijdschriften” op magische wijze iets anders is dan dat collegae hun commentaar geven. Nee, “peer review” is slechts dat collegae hun commentaar geven, en niet iets magisch anders. Het lijkt relevant om hier een van mijn bijdragen aan de Nationale Wetenschapsagenda te citeren:

“Econometrist (Groningen 1982) en leraar wiskunde (Leiden 2008) Thomas Cool / Thomas Colignatus is sinds 1990 getroffen door censuur van zijn wetenschappelijk werk. Binnen de dan beperkte mogelijkheden blijkt het praktisch boeken zelf te publiceren. Academici lijken gefocust op peer-review tijdschriften en boeken en missen dan zulke andere resultaten. Logisch geldt echter dat een academicus die zo’n boek leest ter plekke aan peer-review doet – en voor vragen bij de auteur terecht kan. Zelf publiceren en dat door anderen laten beoordelen is zo in principe een flexibele en efficiente vorm van peer-review. Waarom gebeurt het hoegenaamd niet ? Er is een soort stigma. Het stigma leidt tot gemankeerde academische “wetenschap” omdat men per saldo voorbijgaat aan beschikbare inzichten, zie bijv. deze boeken: “Trias Politica & Centraal Planbureau” (1994), “Definition & Reality in the General Theory of Political Economy” (2000), “Voting Theory for Democracy” (2001), “A Logic of Exceptions” (2007), “Elegance with Substance” (2009), “Conquest of the Plane” (2011), “Common Sense: Boycott Holland” (2012), “The Simple Mathematics of Jesus” (2012). Voor het grotere publiek (niet-econometristen) zijn er: “Democratie & Staathuishoudkunde”, “Een kind wil aardige en geen gemene getallen” en “De eenvoudige wiskunde van Jezus”. Colignatus lijkt maar een voorbeeld.”

Nestgeur

Het zou kunnen dat ik voor de politicologen van SRV niet de goede “nestgeur” heb. Ze zouden kunnen denken dat ik als econometrist en leraar wiskunde onvoldoende van de politicologie begrijp. Ze zouden kunnen denken dat ik eerst maar eens een proefschrift in de politicologie moet schrijven, voordat ik daar iets zinnigs over zou kunnen zeggen. Maar dat wordt dan ad hominem. Het vak economie bevat nog vele elementen uit de geesteswetenschappen, en hoe daar bij de politicologen wordt gedacht heb ik veel gelezen en begrepen. Econometrie combineert economie, wiskunde en statistiek, en is dan een generalisatie en geen specialisatie. Ook ikzelf wil wel eens stellen dat iemand voor een bepaald terrein incompetent is, maar dat doe ik niet ad hominem maar als een controleerbare empirische constatering, kijkend naar de inhoud van het gestelde, en pas daarna kan een gemankeerde vooropleiding een verklaringsgrond zijn. Voor de politicologie en de Public Choice geldt de overlap van onderwerpen, en de econometrie is harde empirische wetenschap. Politicologen dienen naar de inhoud van het argument te kijken. Dus wanneer de politicologen last hebben van zo’n vooroordeel over “nestgeur”, dan is dat een bewijs te meer dat zij onvoldoende besef hebben van wat wetenschap is.

Zondag 14 oktober 2018

Op 14 oktober stuur ik Louwerse en Van der Meer dit bericht:

“Ik heb nu deze uitleg t.a.v. Brexit:

https://boycottholland.wordpress.com/2018/10/12/elizabeth-ii-why-did-nobody-notice-it-in-2008-and-brexit-2018/

Ik zou dit in het Nederlands kunnen vertalen voor SRV. Zou u plaatsen ?

NB 1. In verband met het staatsbezoek van de koning aan de UK op 23-24 oktober zou het actueel zijn om ook aandacht te vestigen op het verschil in kiesstelsels en het falen van de tak van de “politicologie over kiesstelsels”.

NB 2. Ik vraag dan ook toestemming voor verwijzing naar mijn boek “Democratie met en door Wetenschap”. De PDF is online, dus het is niet commercieel bedoeld. PM. Hier een korte reactie door bestuurskundige Joost Smits:

https://www.facebook.com/photo.php?fbid=10217050780931509&set=a.2378670315986&type=3&theater

Donderdag 18 oktober 2018

Op 17 oktober publiceert de RES Newsletter mijn overzicht over Brexit. Op 18 oktober schrijf ik Louwerse, cc Van der Meer, Joost Smits, en NKWP secretaris Walther Kok, met toevoeging van het eerdere bericht van 14 oktober.

“Ik heb nu dit memo in de Newsletter van de Royal Economic Society (RES), 17 oktober 2018.

http://www.res.org.uk/view/art1Oct18Comment.html

T.a.v. Brexit is het een “game changer” dat “politicologie over kiesstelsels” geen werkelijke empirische wetenschap is, maar voor zijn empirische relevantie vergelijkbaar is aan astrologie, alchemie of homeopathie. De bevolking in de UK is generaties lang stelselmatig verkeerd voorgelicht.

Mijn suggestie is dit op SRV te reproduceren. Indien u een NL versie wilt kan ik dit verzorgen.

Mijn suggestie is hoe dan ook een verwijzing naar mijn boek DMDW op te nemen (zie onder).

Op het onderstaande ontving ik nog geen reactie, maar het verzoek van herpublicatie van het RES Newsletter memo is beter. Verwijzing naar die weblogtext hieronder genoemd is dan ook logisch.

Ik doe kopie aan Walther Kok van de NKWP, welke NKWP subsidie aan SRV geeft, terwijl Kok mij meedeelde belangstelling te hebben voor een korte text, welke nu gegeven is. (Waarom bouwen NKWP en SRV dit niet om tot een structurele relatie met een redactiestatuut ?)

Ik doe kopie aan Joost Smits. Smits ziet “politicologie over kiesstelsels” nog steeds als (gamma ?) wetenschap, maar wij hebben nog niet alle argumenten doorgenomen. Ik sta er ook op dat Smits eerst zijn normale werk doet, voor de normale inkomensvoorziening, voordat hij tijd steekt in dit specifieke onderwerp cq. leertraject (bijv. t.a.v. econometrie).

PM. Kent u deze grap uit de DDR-tijd ? In een fabriek voor vrachtwagens en werkmiddelen is er altijd bij sluitingstijd een man die een kruiwagen schroot naar buiten rijdt. Aan de poort is er een inspectie dat het inderdaad waardeloos schroot is. De poortwachter vermoedt dat er wat mis is en dat er wat gesmokkeld wordt, en doet daarom een grondige inspectie, maar vindt niets, en de laat de man iedere keer door, die met een vrolijke grijs goedenavond groet. Op een dag is de man 65, gaat met pensioen, en verlaat de fabriek zonder een kruiwagen met schroot. “Jan,” zegt de poortwachter, “ik zie je vandaag voor het laatst. Zou je me alsjeblieft willen vertellen of je nu iets smokkelde of niet ?” En Jan verklaart bereidwillig: “Je mag het nu wel weten. Ik heb veertig jaar lang iedere dag een kruiwagen uit de fabriek meegenomen.”

Het grapje illustreert het belang van observatie voor empirische wetenschap. Politicologen hebben iedere keer netjes geregistreerd dat er zus en zo verkiezingsuitslagen waren, volgens zus en zo’n electoraal systeem (er is een lading schroot naar buiten gebracht), maar ze hebben niet geobserveerd dat er bij “first past the post” mensenrechten worden geschonden (de kruiwagen). Mechanismen zijn beschreven, maar het cruciale gegeven is niet scherp gecommuniceerd. Hoe die blinde vlek is ontstaan, is voer voor historici. Zaak is nu dat wetenschappers de bevolking adequaat inlichten.

Laat ik zeggen dat ik een ongedefinieerde weerstand ervaar. Mag ik u dringend verzoeken om u daarover communicatief op te stellen, want het is overduidelijk een belangrijke zaak.

[ het onderstaande: email van 14 oktober ]”

Tom Louwerse cc Tom van der Meer slaat wild om zich heen

De reactie van Louwerse van 18 oktober 2018, cc dezelfden, geeft het negeren van kritiek, het lasteren en de lezers misleiden. Wellicht heeft Louwerse het bericht geheel zelf geschreven maar het is logischer om te vermoeden dat het eerst is afgestemd. Daar heeft SRV toch enkele uren voor gehad. Van der Meer mag zeggen wat hij ervan vindt.

“We hebben kennis genomen van uw verzoek, maar we zullen het stuk niet in een Nederlandse versie plaatsen op SRV.

Allereerst publiceren we in beginsel alleen originele stukken, geen (vertalingen van) elders eerder gepubliceerde artikelen. Daarnaast is Stuk Rood Vlees primair een blog door politieke (en andere sociale) wetenschapers die in de academie actief zijn. Middels het blog willen wij academisch politicologisch onderzoek aan de actualiteit koppelen, zo schrijven we ook in onze ‘mission statement’.

De belangrijkste reden is gelegen in het feit dat u in het gesuggereerde stuk verregaande uitspraken doet die u niet of zeer minimaal onderbouwt. Stevige uitspraken vergen een gedegen onderbouwing en die ontbreekt, zeker waar het gaat om de status van de politicologie als wetenschap. Als u onze discipline vergelijkt met “astrologie, alchemie of homeopathie”, wees dan niet verbaasd dat mijn vakgenoten en ik ervoor kiezen om onze tijd anders te besteden dan u van een antwoord te voorzien. Er is ook onder politicologen zeker debat over de grondslagen en methoden van de politicologie, maar dat debat wordt gevoerd op basis van een stevig begrip van de materie en argumenten.”

Laten we deze inbreuk op de integriteit van wetenschap stap voor stap doornemen.

Bij een geesteswetenschappelijke invalshoek tot politicologie is er ook de invloed van juristen met staatsrecht, en kan de academicus overgaan tot gegoochel met woorden waarin subtiele betekenissen van woorden worden misbruikt of juist veranderd alsof het drijfzand is. Kijk hoe geschiedkundige Mark Rutte met woorden kan goochelen. Bedenk ook dat wiskundigen alleen maar juristen van getal en ruimte zijn. Het is juist de empirische wetenschap die leert dat je consistent scherpe termen nodig hebt om de realiteit te beschrijven.

Alleen orgineel

Wellicht is het zo dat SRV in beginsel alleen originele stukken opneemt, maar in de praktijk zijn er bij SRV on-originele berichten, zie bijv. “Electorale geografie in Duitsland” door Hakhverdian op 30 augustus 2013 waarin alleen een nieuwtje wordt doorverteld. Wanneer de redactie het memo in de RES Newsletter niet wil reproduceren dan kan men ook zo’n berichtje plaatsen. Het aanbod van een vertaling is alleen service.

Dit argument tot afwijzing is een grove leugen.

Primair academici, politicologie en sociale wetenschappen

Primair is een woord dat toe lijkt te laten dat er ook een secundair kan zijn. Dus het hoeft een bijdrage van mij niet uit te sluiten.

Het “mission statement” is getekend door de redactie van politicologische herkomst maar er zijn ook auteurs van diverse aard. Er bestaat een conventie dat de term “sociale wetenschappen” geen betrekking heeft op economie, maar waarom die plotselinge barriere t.a.v. economie ? Op dezelfde wijze is “politicologie” geen “Public Choice”, ook al zijn de onderwerpen hetzelfde. Toch lijkt het me onverantwoord om een bijdrage af te wijzen alleen wegens de “nestgeur”.

En consistent is de uitspraak niet. Zie hierboven voor de voorbeelden van Nate Silver en de Monkey Cage. Zelfs de penningmeester en voorzitter a.i. van de NKWP Jasper Blom is vooral econoom met nu een verbreding. Louwerse stelt het “mission statement” verkeerd voor of is vergeten wat het was of heeft iets ondertekend wat hij niet bedoelde. Maar ja, SRV wil doen “zoals” Nate Silver en Monkey Cage. Een ezel die zich wil gedragen zoals een paard blijft toch een ezel.

Ik ben momenteel niet aan een universiteit verbonden, maar was dit wel (Erasmus universiteit), en ik ben nog steeds wetenschapper. Het Politicologenetmaal was in Leiden. Deelnemers waren ook van andere instellingen dan universiteiten, zoals peilingbureau Kantar – NIPO, of ook workshop organisator Joost Smits zelf. Wil Louwerse beweren dat hij het Centraal Planbureau niet als wetenschappelijk ziet ? Dus de beperking door Louwerse tot alleen universiteit is kunstmatig en formalistisch.

Ja, formeel ben ik nu niet aan een universiteit verbonden. Een goed ad hominem argument om niet naar de inhoud te kijken. Formeel is verbondenheid aan een universiteit slechts een voldoende argument maar niet noodzakelijk. Praktisch is verbondenheid aan een universiteit zelfs een onvoldoende argument.

Onderbouwing, stevig begrip van de materie en argumenten

De bewering dat in het memo in de RES Newsletter een onderbouwing ontbreekt is een grove onwaarheid, zie de verwijzingen aldaar naar het onderzoek van 2016-2018, en de verwijzingen daarin naar het werk van anderen.

De bewering dat ik geen stevig begrip van de materie en argumenten zou hebben, is een grove onwaarheid. Juist dat begrip brengt mij tot de diagnose dat “politicologie over kiesstelsels” een pseudo-wetenschap is.

Louwerse heeft er niet naar gekeken. Hij beweert maar wat. Hij vindt de diagnose bij voorbaat zo belachelijk dat hij er zijn tijd niet aan wil besteden.

Maar hij wil wel zijn tijd eraan besteden om aan de secretaris van de NKWP en zo aan bestuur en leden van de NKWP te gaan lasteren dat onderbouwing ontbreekt en dat ik maar uit mijn nek sta te kletsen.

Mijn antwoord van 18 oktober 2018

Eerder zond ik op 18 oktober een protest aan Louwerse (en deze weblog tekst is daarvan een uitwerking):

“Ik ben een wetenschapper en natuurlijk geef ik een onderbouwing. Mijn [argumenten] zijn ook gebaseerd op basis van een stevig begrip van de materie en argumenten. U reageert onwetenschappelijk door te suggereren dat ik geen wetenschapper zou zijn en dat er geen onderbouwing zou zijn.

Op zijn minst zou een eerste stap zijn om te vragen waar de onderbouwing staat. Het staat in het artikel: de verwijzing naar (2018a). Maar wanneer u meent dat u het niet ziet, dan kunt u er op zijn minst eerst naar vragen. Natuurlijk kun je een onderbouwing van vele pagina’s niet in SRV opnemen. Maar het artikel in de Newsletter heeft dezelfde structuur als bijdragen voor SRV: een overzicht van het inzicht, en verwijzing naar onderliggende stukken.

Vervolgens is het gebruikelijk in de wetenschap om via gedachtenwisseling, experiment en observatie te komen tot consensus. Ik geef expliciet aan dat ik een nieuwe ontdekking heb gedaan. Wat u nu doet is een onwelgevallige melding doodzwijgen. Dit past niet bij wetenschap. Door de melding kunnen andere naar de argumenten gaan kijken, en krijgt de nieuwe consensus een kans.

Hoezo zou ik niet “in de academie actief zijn” ? Was dat Politicologenetmaal 2018 niet aan de Leidse universiteit ? Had ik geen aanstelling aan de Erasmus universiteit en Erasmus MC (Markov simulaties) ?

Gaat u nu werkelijk de censuur van wetenschap door de directie van het CPB en het onheuse ontslag gebruiken om te stellen dat ik geen wetenschapper zou zijn, in plaats van dat SRV protesteert tegen censuur van onderzoek dat ook voor politicologie relevant is ?

PM. Het kan zijn dat u niet bekend bent met mijn brief aan het bestuur van de NKWP ?

Ik verzoek u te corrigeren.”

Tom Louwerse cc Tom van der Meer slaat verder om zich heen

Hierop antwoordt Louwerse, ook weer op 18 oktober 2018, met voortzetting van de onwaarheid en laster aan de secretaris Walther Kok van de NKWP:

“Blijkbaar hebben wij een heel ander idee van wat wij als wetenschappelijk beschouwen. Ik heb u duidelijk gemaakt waarom wij uw stuk niet zullen plaatsen. Eén verduidelijking: met ‘actief in de academie’ refereer ik aan het feit dat we vooral stukken publiceren van (sociaal) wetenschappers die aan een universiteit zijn aangesteld, omdat we de verbinding tussen universiteit en publiek willen versterken. De keuze om uw stuk niet in vertaling op onze blog te publiceren heeft niets met censuur te maken (uw stuk is nota bene al elders gepubliceerd), maar is een redactionele keuze gezien de doelstellingen van ons weblog. Ik heb geen behoefte aan enige verdere discussie.”

We zien weer het juridisch manipulatieve van een geesteswetenschapper. En verdorie, nu ik naar het CV van Louwerse kijk zie ik dat hij zijn propedeuse in rechten heeft gehaald, zodat ik begin te vermoeden dat hij geen wiskunde B op school heeft gehad. Bij zo’n propedeuse dient men een student denkelijk eerst opnieuw op te voeden voordat hij of zij kan gaan begrijpen wat empirische wetenschap is.

  • Louwerse trekt zijn laster dus niet in.
  • Hij maakt wel de terugtrekkende beweging door zich te concentreren op het feitelijk gegeven dat ik niet aan een universiteit ben verbonden, wat hem mogelijk een juridisch gevoel van veiligheid en rechtvaardiging geeft. Maar het is wel in strijd met de voorbeelden van Nate Silver en de Monkey Cage, met researchers van andere instellingen dan universiteiten.
  • Zijn opmerking over een ander idee over wetenschappelijkheid is vaag. Hij kan een ander idee hebben, maar welk ander idee is vaag, en misschien is het idee zelf ook vaag. In het “mission statement” claimt hij met de andere leden van de redactie dat hij een “gigantische nerd” zou zijn, maar hier zien we niet de vaagheid die je van een “nerd” gewend bent, want een echte nerd zou toch veel scherper zijn.

Wanneer Louwerse zichzelf schaart onder de “politicologie over kiesstelsels” (de tak waarnaar ik heb gekeken) en hij zich toch wetenschapper blijft noemen, dan is hij mogelijk een geesteswetenschapper, maar geen harde empirische wetenschapper.

Zijn opmerking over censuur is wonderlijk. Misschien heeft hij mijn opmerking over de censuur door de directie van het CPB niet begrepen ? Die CPB-censuur heeft betrekking op verwant onderzoek, maar niet specifiek op het memo in de RES Newsletter. Ik kan niet reconstrueren hoe mijn alinea over die censuur kan worden omgebouwd en verkeerd kan worden begrepen tot de wijze zoals Louwerse het nu formuleert. Hier wordt een groot vermogen tot misverstaan getoond.

  • In ieder geval is het verschijnen van het memo in de RES Newsletter geen bewijs dat de redactie van SRV geen blokkade pleegt bij het kennisgeven aan lezers van SRV over de inhoud van dit memo.
  • De suggestie dat lezers van SRV altijd de RES Newsletter erop naslaan zodat opname in SRV geen meerwaarde heeft, is manipulatief.
  • De redactie van SRV is wel degelijk doende om de lezers die informatie juist niet te willen geven.
  • Louwerse geeft ook precies het argument waarom: het ontbreken van de nestgeur. Niet de inhoud, want daar heeft hij niet naar gekeken, want hij wist zo al genoeg om te gaan lasteren.

Conclusie

Het bovenstaande geeft in ieder geval deze twee kernpunten:

  • Terwijl SRV claimt een brug van wetenschap naar maatschappij te willen slaan, faalt SRV in 2016-2018 in het bespreken van Brexit, een van de hoofdpunten van de hedendaagse geschiedenis van Europa. Men reduceert zich zo tot een reclame-folder en ego-booster voor de ivoren toren, en geldautomaat voor de door de overheid gewenste valorisatie van wetenschap.
  • SRV belazert zowel bestuur en leden van de NKWP als hun lezers, inclusief de koning.
Louwerse-VdMeer-Kok-WA

Louwerse, Van der Meer en belazerde Kok en Koning

Pro memorie

Mijn weblog protesteert tegen de iedere dag voortdurende censuur van de wetenschap sinds 1990 door de directie van het Centraal Planbureau – denk aan: in een woestijn iedere dag verkracht worden. Schrijven over alleen dit protest is voor lezers saai, dus in de praktijk schrijf ik vooral ook over andere dingen. Op mijn weblog maak ik soms ook wel eens een grapje, hopelijk is dat niet verwarrend, en de begrijpende lezer zal er toch wel de serieuze aandachtspunten uit halen. Het grapje over kruiwagens in deze tekst verheldert wat “empirisch waarnemen” betekent, hetgeen dus mankeert in de pseudo-wetenschap van “politicologie over kiesstelsels”. Ik neem ook een voorbeeld aan Montesquieu en zijn “Persische brieven” waarmee hij een blik op de Franse samenleving van toen wierp. En aan Jonathan Swift die Gulliver in vreemde landen liet reizen met bijv. ook een satire op de Royal Society. Hier is mijn boutade over de toespraak die de Koning op 23 oktober 2018 in de Royal Gallery zou kunnen houden. Van belang is nu te constateren dat SRV de Koning wezenlijke informatie onthoudt (het memo in de RES Newsletter, niet per se de satire).

Advertenties
Geplaatst in Anatomie van Nederland, Democratie

Remkes’s Tussenstand is om van te schrikken

“Daarbij roepen we iedereen op om ons opnieuw te bestoken met commentaar, kritiek en nieuwe suggesties,”

toespraak van Johan Remkes, voorzitter van de Staatscommissie parlementair stelsel (Scps, met maar één hoofdletter), 21 juni 2018.

De website van de Scps toont een lange lijst van rapporten en bijeenkomsten met hun verslagen. De Scps ontvangt niet slechts commentaar maar reageert ook, met name via de Tussenstand van 21 juni 2018. Ook daar belooft de Scps communicatie (p4):

“Net zoals zij met de Probleemverkenning heeft gedaan wil de staatscommissie de inhoud van deze Tussenstand graag eerst verder onderzoeken en bespreken met burgers, wetenschappers en andere deskundigen voordat zij haar werk afrondt.”

Is het werkelijk ? Ook ik heb een Advies aan de Scps gezonden, en men schreef me ernaar te zullen kijken, maar de Tussenstand geeft geen inhoudelijke reactie op mijn Advies.

Een voorbeeld is het referendum. Remkes in zijn speech (p1):

“Een tussenstand is nog geen eindrapport. (Dus wie van u daarnet al heeft getwitterd “Staatscommissie wil bindend referendum” was net iets te vroeg en net iets te kort door de bocht. (…)”

Later maakt Remkes echter duidelijk dat de commissie dat bindend referendum wel degelijk reeds omarmt (p5):

“Toch meent onze commissie dat een correctief bindend referendum de representatieve democratie juist zou kunnen versterken, bij verstandig en terughoudend gebruik. (…) In het eindrapport zullen we deze variant verder uitwerken.”

Dus je kunt communiceren wat je wilt maar de Scps heeft zijn mening dat er een bindend correctief referendum zou moeten komen al klaar.

Pseudowetenschap en betonnen muur

Belangrijker dan het referendum is het volgende. Ik heb de Scps gemeld dat de “politicologie over kiesstelsels” geen empirische wetenschap is gebleken, maar is blijven steken in de geesteswetenschappen, en feitelijk vergelijkbaar aan astrologie, alchemie of homeopathie. Deze “politicologie over kiesstelsels” kent hoogleraren, proefschriften en promovendi, en “peer review journals”, maar het ontbreekt aan een daadwerkelijke empirische houding. Feitelijk is er dan ook sprake van een grote misstand. De Scps heeft juist bij deze pseudowetenschappers advies ingewonnen, en het is pijnlijk te constateren dat de Scps niet ingaat op mijn waarschuwing terzake.

Een waarschuwing wordt genegeerd in plaats van dat het aandacht krijgt. Wanneer de Scps commentaar en kritiek ontvangt dan zou men meer moeten doen dan alleen registreren dat het is binnengekomen. Argumenten dienen ook overdacht te worden en het dient gedocumenteerd te worden waarom kritiek wel of niet wordt overgenomen. Nu hebben we de betonnen muur dat je wel wat mag insturen maar dat zoiets ook geen zin heeft omdat de Scps er niet op reageert.

Het is gemakkelijk om te denken, en standaard doen velen dit, dat het geen verplichting is voor anderen om teksten te lezen of daarop te reageren. Echter, de vrijheid van meningsuiting komt ook met de plicht tot luisteren, en dit geldt des te sterker voor de wetenschap.

Uit dit negeren zou men kunnen concluderen dat de waarschuwing niet op zijn plaats zou zijn, maar wat zijn dan de argumenten ? Wat gaat er mis ? Zolang niet helder is of er nog een goede reden voor dit negeren is, kan ik niet anders dan veronderstellen dat de Scps en zijn voorzitter Johan Remkes disfunctioneren.

Tussenstand en referendum

In zijn toespraak noemt Remkes meer dan alleen het referendum. Hij noemt ook de direct-gekozen formateur (niet slechts informateur maar toch geen gekozen premier), en het gevoeliger maken van het kiesstelsel voor personen en regio’s. Ook wordt de gedachte aan een Constitutioneel Hof ondersteund. Hoe dit alles zou kunnen laat men echter veel vager dan de onomwonden keuze voor het bindend referendum. De Tussenstand hoofdstuk 7 op p122-124 geeft het lijstje mogelijke oplossingen die de Scps uitgezeefd heeft en waar men nader naar wil gaan kijken.

Het uitbrengen van zo’n Tussenstand is opmerkelijk, juist ook wanneer men vooral helderheid over het bindend correctief referendum geeft en zo weinig duidelijkheid over andere punten te bieden heeft.

Tegelijkertijd kunnen we ons verbazen over de oproep van 18 politicologen en bestuurskundigen tot een referendum over de afschaffing van het raadgevend referendum.  (NRC 2018-02-17) Twee ondertekenaars van dit artikel, Ruud Koole en Tom van der Meer, zijn ook lid van de Scps.

De vaagheid van die andere punten in vergelijking met die helderheid t.a.v. het referendum roept het vermoeden op dat de Scps vooral een signaal over het referendum heeft willen geven. Door de kabinetsformatie 2017 ontstond er discussie omtrent de intrekking van het raadplegend correctief referendum, en het afhouden van een referendum daarover. Er dreigde een dynamiek te ontstaan waarbij de Tweede Kamer bij voorbaat al een standpunt zou innemen. Het is niet ondenkbaar dat de Scps vreesde dat het eigen advies als mosterd na de maaltijd zou komen. Door het uitbrengen van deze “Tussenstand” geeft de Scps een schot voor de boeg.

Parallel spoor of interactie t.a.v. kabinetsformatie

Je kunt je ook afvragen of er zelfs interactie met de kabinetsformatie 2017 zelf was. D66 ging opmerkelijk soepel accoord met de afschaffing van het correctief referendum en zei juist een bindend referendum te willen, terwijl de haalbaarheid van zo’n bindend referendum in geen velden of wegen te bekennen was. Mogelijk heeft men afgetast hoe de visies in de Scps lagen ? De Scps was reeds op 27 januari 2017 door minister Plasterk van Rutte II ingesteld. Op een bijeenkomst op 5 oktober 2017 zei Remkes: “Wat de staatscommissie betreft is het referendum een serieus te nemen onderwerp voor de toekomst” en op 9 oktober werd het voorlopig coalitieaccoord voor Rutte III beklonken. Het laat zich niet vermoeden dat hierover afspraken zouden zijn gemaakt omdat de Scps juist onafhankelijk moet zijn. Het blijft hoe dan ook opmerkelijk dat de Scps zo sterk in D66-vaarwater is gekomen terwijl de argumenten van D66 vanaf 1966 juist misleidend zijn gebleken. Die betonnen muur roept dan ook extra vragen op, want deze sluit aan bij de misleiding door D66 en ontmaskert deze juist niet.

De argumentatie van de Scps voor het referendum overtuigt niet

Er is alle reden om de wetenschappelijkheid van de argumenten in aangehaalde oproep van 18 politicologen en bestuurskundigen te betwijfelen.

De Scps kiest expliciet voor inbreuk op de representatieve democratie, met een argument dat ik niet kan volgen (p55). Een inbreuk op de grondwet is wenselijk omdat het om de grondwet gaat ?

“Invoering van een dergelijk ingrijpend instrument is van constitutionele orde: herziening van de Grondwet op dit punt is noodzakelijk. Voor de staatscommissie is hierin een aanvullend argument gelegen voor haar voorkeur voor de bindende vorm van het correctieve referendum.”

In de Tussenstand gaat de Scps ook niet in op mijn argumentatie tegen het referendum. Wellicht was de Scps zo druk bezig met het schrijven van de Tussenstand ten gunste van het referendum dat men geen tijd had om naar mijn Advies te kijken dat hier sprake is van pseudowetenschap ?

Herhaling van de verkeerd begrepen “Ostrogorski paradox”

De stelling van de Scps p53 is:

“Het is inherent aan de (representatieve) democratie dat het parlement in bepaalde opzichten geen volkomen inhoudelijke vertegenwoordiging van de bevolking zal zijn. In het parlement kunnen (ingrijpende) besluiten worden genomen waarvoor bij de bevolking geen meerderheid bestaat (…) Deze problematische inhoudelijke representatie is een serieuze tekortkoming in het parlementair stelsel.”

Deze stelling van de Scps is echter een misrepresentatie, en wetenschappelijk onverantwoord. De misrepresentatie door de Scps zit in de kwalificaties “(ingrijpende)” en “serieuze”. Het is wel correct dat zelfs een met evenredigheid gekozen parlement een besluit kan nemen waarvoor onder de kiezers geen meerderheid bestaat.

Het kernpunt is dat wanneer een besluit belangrijk is, en een meerderheid echt zou vinden dat de belangen onevenredig geschaad zouden worden, dat dan een nieuwe partij kan opstaan, om dat belang te verdedigen.

Het punt van de Ostrogorski-paradox is valide maar het gaat weer te ver om dit als argument voor referenda te gebruiken, want zo schuift men op naar de afschaffing van de representatieve democratie, terwijl het juist zaak is deze te versterken, bijvoorbeeld door het gemakkelijker te maken dat partijen tot het parlement toetreden. Velen maken zich zorgen over “versnippering” maar leg dan beter uit wat “representatieve democratie” betekent.

Het is hierbij ook nuttig te beseffen dat het begrip “meerderheid” niet als een absoluut ideaal gezien hoeft te worden. Naast stemmen met gewone meerderheid (50% + 1) is er bijv. het stemmen met Borda rangordes. Met drie opties A, B en C, zijn er zes mogelijke rangordes (3 mogelijkheden voor de eerste plaats, 2 resterende voor de tweede plaats, en de derde volgt dan vanzelf). Deze rangordes kunnen verdeeld zijn over bijvoorbeeld zes partijen. Bijvoorbeeld C kan er als compromis tussen A en B uitrollen, terwijl een 50% + 1 meerderheid voor A zou kunnen bestaan. Partijen kunnen dit compromis ook via onderhandelen vinden met daarna afronding via een stemming waarin het compromis gesteund wordt. Het kan dan lijken alsof er een probleem t.a.v. het meerderheidsbeginsel zou zijn, maar in feite betekent dit alleen dat er iets mankeert aan het onderwijs over democratie.

Robert Dahl “A Preface to Democratic Theory” (1956) bevat een paradox hoe een president in de USA gekozen kan worden door het bijeensprokkelen van belangengroepen op hun belangrijkste punten van interesse, zodat deze president wel gekozen kan worden maar tegelijkertijd steeds ingaat tegen de wensen van de meerderheid (van 50% + 1 per deelterrein). Dit pleit inderdaad tegen het presidentiële stelsel, maar heeft natuurlijk een nauw verband met hoe coalitie-accoorden tot stand kunnen komen. Douglas Rae en Hans Daudt hebben deze paradox omgebouwd naar de parlementaire verkiezingen. Zij noemden dit niet de Dahl-paradox maar de Ostrogorski-paradox, ook al heeft Ostrogorski er weinig mee te maken.

In mijn exemplaar van Dahl’s “Preface” vond ik een krantenknipsel uit 1982 terug van een artikel van Ruud Koole (lid van de Scps) over “Ostrogorski en de partijdemocratie” (Intermediair, 18e jaargang, 48, 3 december, p17-21). Dit blijkt nog zeer leesbaar en verdient online te komen. Koole verwijst naar een discussie tussen Hans Daudt, die de paradox van een “duivelse schoonheid” noemt (en die ook wel prat op zijn eigen artikel zal zijn), en Hans van den Doel, die deze van een “kinderlijke onnnozelheid” vindt getuigen (Haagse Post, 8 maart 1980, p40-41). Noch in de Probleemverkenning noch in de Tussenstand van de Scps waar Koole dus aan meewerkte valt deze kritiek van Van den Doel terug te vinden. Dit is onevenwichtig.

In mijn Advies aan de Scps heb ik reeds helder toegelicht dat deze paradox een schijnargument oplevert. Zie boven voor het tegenargument van het toetreden van nieuwe partijen. In de Tussenstand herhaalt de Scps deze paradox en gaat niet in op de kritiek.

Een zogenaamde oplossing die zelf een overdaad aan problemen geeft

De Scps presenteert het referendum als een oplossing. Hierbij vergeet men dat het referendum een instrument is dat zelf veel problemen met zich meebrengt. Het referendum is geen doekje voor het bloeden maar een mes dat bloeden veroorzaakt. Zie een eerdere uitleg alhier, met ook het voorbeeld van het referendum over Brexit.

Te vrezen valt dat we hier in de wereld van het magisch denken zijn beland. Bij een woord als “Amsterdam” lijkt iedereen te weten wat je bedoelt, maar ieder denkt mogelijk aan wat anders. Men kan het woord “referendum” hanteren alsof het daadwerkelijk iets voorstelt, maar ieder kan weer wat anders denken. Filosofen zeggen: de betekenis van een woord is zijn gebruik. Maar dat kan dus ook een wereld van vaagheden en wensdenken opleveren. De Scps gebruikt het woord als  vermeende oplossing, en straks in de praktijk gaat dan blijken dat we juist verder van huis zijn.

Conclusie

Vooralsnog kan ik slechts constateren dat de Staatscommissie parlementair stelsel disfunctioneert. Een belangrijke waarschuwing wordt genegeerd en er wordt niet eens de moeite genomen om de argumenten te weerleggen.

De Tussenstand lijkt vooral gemotiveerd te zijn om de eigen rol ten aanzien van het referendum onder de aandacht te brengen. Andere punten zijn veel vager en vooral een herhaling van zetten. De keuze voor het bindend correctief referendum toont echter andermaal dat de “politicologie over kiesstelsels” een pseudowetenschap is, en het toont ook weer de betonnen muur dat de Scps niet wil ingaan op deze waarschuwing en kritiek.

De lezer wordt geadviseerd mijn Advies aan de Scps te bekijken. Ik hoef me niet te herhalen. Wetenschappers worden gewezen op het artikel “One woman, one vote. Though not in the USA, UK and France”. Zie ook de andere literatuur hieronder, vaak in relatie tot Brexit.

Hieronder volgen nog enkele punten.

Bijlage

De Tussenstand nodigt niet uit tot lezen. Het is vooral herhaling, en de uitbreiding met suggesties tot oplossing toont dat het vooral losse flodders zijn waarvan je niet weet wat je ermee aanmoet omdat de eindredenering ontbreekt. Waar de Tussenstand weinig verheffend is, kan ik slechts opmerkingen maken van een meer administratief karakter, en het geheel is weinig inspirerend.

Het afscheid van de representatieve democratie

De oorspronkelijke zes probleemvelden brengt de Scps terug naar drie “leidende vragen” en “pijlers” (p20-21). De Probleemverkenning telde 70 pagina’s en de Tussenstand heeft 125 pagina’s, met veel herhaling van zetten. De Scps suggereert dat een “oplossingsrichting” meer pagina’s vraagt dan een “probleemverkenning”. Echter, wanneer de probleemverkenning reeds gegeven is, zou de oplossingsrichting ook kort kunnen zijn. Soms kan men ook kort erkennen dat een ervaren “probleem” een schijnprobleem was.

Veel sterker dan in de Probleemverkenning gaat de Scps nu afscheid nemen van de representatieve democratie. De Scps vermijdt de term “populisme” en gebruikt de term “directe democratie”. Op deze manier negeert men dat zulke “directe democratie” wel degelijk als populisme aan de kaak is gesteld:

“Vormen van directe democratie kunnen echter in sommige gevallen een nuttige correctie vormen op het representatieve model.” (p12)

Dit is nogal stellig terwijl zulke vormen juist afbreuk aan de representatie kunnen doen.

“De representatieve democratie krijgt primair gestalte door middel van verkiezingen voor vertegenwoordigende organen. Dit primaat van de representatieve democratie wordt door de staatscommissie niettemin in verband gebracht met enkele direct-democratische instrumenten, waaronder het referendum (zie de paragrafen 4.4 en 4.5), alsmede de wenselijkheid van meer invloed van de kiezers op de kabinetsformatie (zie paragraaf 4.6) en van openheid over de kabinetsformatie (zie paragraaf 4.7). De verkiezingen voor vertegenwoordigende organen staan echter centraal in het concept representatie.” (Tussenstand p26)

Zo stelt de Scps (p30): “Het verder verlagen van de voorkeursdrempel, bijvoorbeeld tot 10% of zelfs 0%. Deze bedraagt nu 25% van de kiesdrempel. [voetnoten]” Het voorstel van het Burgerforum heeft die 0%, zodat kandidaten worden gesorteerd op hun behaald aantal stemmen. De Scps vergeet dan de bezwaren te noemen. In België is het zo dat de sterkere aandacht voor de persoonlijke positie van kandidaten ertoe leidt dat deze tegen elkaar gaan opbieden, zelfs binnen de eigen partij, zodat hier het verschijnsel van cliëntisme ontstaat. De Scps verzint dus maar wat, zonder degelijk onderzoek, en laat de lezer vervolgens zwemmen met de melding dat e.e.a. terugkomt bij het Eindrapport.

Zie hoe de Scps het districtenstelsel behandelt, waaromtrent de minister een specifiek verzoek indiende. Zo’n stelsel bevordert ook het cliëntisme voor het district waarvoor men is gekozen. De Scps p37 meent dat een districtenstelsel een “directe band tussen kiezer en gekozene” schept, en men vermijdt de term “cliëntisme” die de bedenkelijkheid van zo’n band toont. Men doet het voorkomen alsof kiezers graag zo’n “band” zouden willen, alsof Cort van der Linden in 1917 niet reeds constateerde dat het zwaartepunt naar partijen was verschoven (Scps p26). Al 100 jaar hebben kiezers nog altijd de vrijheid om direct op een kandidaat van keuze te stemmen. De meeste kiezers volstaan met de lijsttrekker. Of wanneer een regio zich voelt achtergesteld dan kan men altijd een partij voor die regio oprichten, maar zulke regionale partijen dringen eigenlijk niet tot de kamer door (ook al heeft de PVV een sterke zuidelijke basis en de PvdA een sterke noordelijke basis). De Scps ziet derhalve een schijnprobleem. Waarom ? Sinds 1966 is er de misleiding door D66 en al langer bestaat er de internationale literatuur in de politicologie over kiesstelsels, met landen als USA, UK en Frankrijk die een districtenstelsel hebben, welke internationale literatuur onwetenschappelijk en vol vooroordelen is gebleken, en waar Nederlandse politicologen aan meedoen.

Een recent voorbeeld is Victor Orban die zijn kiesdistricten in Hongarije zo indeelde dat hij met 45% van de stemmen toch nog aan de macht kan blijven. (Volkskrant video) Zie ook Scps p16: “In deze landen worden ook vaak kunstmatige meerderheden gecreëerd via het kiesstelsel.” (en kijk dan eens naar USA, UK en Frankrijk). In plaats van met het districtenstelsel te flirten zou de Scps er beter aan doen om een parlementaire enquete te adviseren naar die vermeende wetenschappelijkheid van die “politicologie over kiesstelsels”.

Positief is dat de Scps diverse modellen voor een districtenstelsel afwijst met verwijzingen naar de inbreuk op de evenredigheid. Op zich is dit lofwaardig. De Scps had er echter ook de conclusie aan kunnen verbinden dat degenen die zulke modellen voorstelden de zaak belazerd hebben, want ook zelf die inbreuk op de evenredigheid hadden kunnen constateren, zodat het überhaupt niet nodig was om naar zulke modellen te kijken. Maar de Scps houdt zulke misleidende auteurs in ere, en dit is meer dan beleefdheid, want de Scps weigert ook te erkennen dat de Scps zelf een verkeerde samenstelling heeft, met gebrek aan deelname van empirische wetenschappers. Het is zoals homeopathen elkaar in ere houden, in plaats van dat zij elkaar kritiseren dat zij maar homeopathen zijn.

Democratische rechtsstaat

Scps p12: “Democratie en rechtsstaat zijn twee begrippen die nauw met elkaar zijn verbonden.” De Scps noemt dat “pijlers”, en spreekt ook veelvuldig over de “democratische rechtsstaat”. E.e.a. is wellicht begrijpelijk voor een commissie die vooral uit juristen en enkele politicologen bestaat, en een politicologie die als geesteswetenschap deels uit het staatsrecht is ontstaan (en die t.a.v. kiesstelsels nog niet de kwaliteit van een daadwerkelijk empirische wetenschap heeft bereikt). Mij komt dit dwepen met “democratische rechtsstaat” als historisch gedateerd over. Dit dwepen krijgt ook een klank mee dat je er niet over kunt meepraten wanneer je geen opleiding staatsrecht of politicologie hebt of praktiserend politicus (Remkes) bent. Echter, we hebben ook een economie van de democratie (public choice) en een democratische economie, en een onderwijs-democratie en democratisch onderwijs, een culturele democratie en democratische cultuur, en ga zo maar door. In mijn Advies aan de Scps gaf ik aan dat juist de rol van de wetenschap voor de democratie in de knel kwam. Het is niet onmogelijk dat de Scps hiervoor blind is omdat de samenstelling van de Scps zo eenzijdig is. Me dunkt dat een goed functionerende Scps heel goed in staat zou zijn om dat taalgebruik over de “democratische rechtsstaat” in te perken, en toch heel goed adviezen kan geven voor versterking van de democratie, zoals ook het inperken van de rol van juristen en tegelijk het bevorderen dat de politicologie over kiesstelsel juist wel een empirische wetenschap wordt.

(…) is er volgens de staatscommissie op dit moment geen reden om te spreken over een crisis in de democratie” (p19). Maar er is wel censuur van wetenschap sinds 1990 door de Nederlandse overheid, en nu ook een betonnen muur door de Scps zelf. Een mooie “democratie” hoor, wanneer wetenschap onmogelijk wordt gemaakt en men dweept met politicologen die de astrologie nog niet ontgroeid zijn.

Nationaal-socialisme

De Scps p28: “de grootste groep kiezers (ten minste een derde van het electoraat) is sociaaleconomisch links en cultureel rechts, bij de Kamerleden is dat percentage slechts 14%”. In kiezersonderzoek wordt soms wel opgemerkt dat dit kwadrant geen politieke partij kent, zodat een nieuwe politieke partij hier kansen zou kunnen maken. Het zal geen toeval zijn dat deze combinatie van kenmerken aansluit op de nationaal-socialisten van Anton Mussert (1894-1946) met zijn antisemitisme dat verder ontaardde in collaboratie en de holocaust. Zowel SP als PVV en misschien ook 50Plus vissen uit deze vijver en sinds kort ook het warhoofd Baudet, maar gangbaar vermijden zij de nationaal-socialistische retoriek, omdat deze natuurlijk snel aan de holocaust zal herinneren. In Duitsland hebben nu Lafontaine en Wagenknecht een initiatief “Aufstehen“.

Wat zegt de Scps erover ? P28:

“De staatscommissie acht het in dit licht voorstelbaar dat het te voeren regeringsbeleid nu en dan niet wordt gesteund door een meerderheid van de kiezers.”

Dit is een eufemisme waar de Scps zich voor zou moeten schamen. De Scps verwijst hier expliciet naar de Ostrogorski-paradox en niet naar de holocaust, en dat is een verkeerde voorstelling van zaken. Met verwijzing naar de holocaust en de keuze voor Europa om weer een oorlog te voorkomen zou de Scps beter kunnen concluderen dat het maar goed is dat dit kwadrant geen politieke partij kent, zodat dit kwadrant gedwongen is over de eigen grenzen heen te kijken. Zulks hoeft geen politiek oordeel te zijn want je kunt dit als feit omtrent de Nederlandse politieke situatie constateren.

Kabinetsformatie

De Tussenstand p59 bevat een grafiek uit een (niet gepubliceerde) presentatie van Henk van der Kolk voor de Scps. Van der Kolk herhaalt de ideologie dat het districtenstelsel tot meer invloed van kiezers op de kabinetsformatie zou leiden. Zie 1W1V sectie 3.6 pag 39-40 dat dit analytisch onjuist is. De grafiek suggereert een uitruil van mate van afspiegeling en invloed op kabinetsformatie. De assen tonen geen getallen, maar suggereren wel dat je dit kunt afschatten, zeg met 50% en 25%, maar onduidelijk blijft wat precies gemeten wordt. Voor empirische wetenschap is dit onvoldoende maar misschien komt er nog een publicatie aan.

De Scps denkt aan een direct gekozen formateur.

  • Het eerste probleem is dat zo’n persoon wellicht niet slaagt, en dat doet afbreuk aan kiezers die dachten op zo’n manier invloed uit te oeferen. Of de formateur zit er een beetje voor spek en bonen bij en sanctioneert ieder kabinet dat er komt, en claimt dit als zijn of haar resultaat, en dan vragen kiezers zich af waar de poppenkast voor nodig is. Of de politieke partijen kloppen de positie van de formateur op zodat deze figuur zich ontwikkelt in de richting van een gekozen premier met dus afbraak van de representatieve democratie.
  • Het tweede probleem is de wijze hoe zo’n persoon te kiezen. Zie mijn boek Voting Theory for Democracy (VTFD) met de paradoxen van stemprocedures voor een enkele zetel. De Scps noemt de mogelijkheden van stemmen in twee ronden en de single transferable vote, maar die methoden zijn niet zonder paradoxen. Men belooft in het Eindrapport met een finale afweging te komen, maar wil dat blijkbaar doen zonder VTFD te gaan lezen, met aldus grote kans dat Nederland ook hier in het pak wordt genaaid.

De Scps is bereid om een formateur te laten kiezen met een methode die een president waardig is, voor iemand die alleen enkele maanden de handjes van politici moet vasthouden alsof zij het niet zelf kunnen. Je kunt erom huilen of je kunt erom lachen.

Politieke blokvorming

Scps p63:

“Politieke blokvorming al dan niet in de vorm van stembusakkoorden bevordert de politieke duidelijkheid vóór de verkiezingen en vergroot daarmee de invloed van de kiezer op de kabinetsformatie.”

Dat is maar de vraag. Zie mijn weblogtekst over het schrikken over Daudt. Een democraat wil geen blokvorming per se maar wil juist afspiegeling en het sluiten van compromissen over de politieke verschillen heen. Duidelijkheid bij verkiezingen is nodig over de beginposities maar iedereen zou moeten weten dat je ruimte moet laten voor het proces van onderhandelingen. De Scps weet dit niet, en bestaat blijkbaar uit nakomertjes van de polariserende jaren zestig. Mijn Advies aan de Scps was om te gaan denken aan afspiegelingskabinetten – maar blijkbaar stuit dit op een betonnen muur want men bespreekt het niet eens.

Politieke partijen

De Tussenstand p71-77 leest als een concept-artikel voor een tijdschrift, met mogelijkheden en mitsen en maren. Het leest niet als een afweging die je van een commissie verwacht. Hoe dan ook blijkt dat de Scps denkt aan een wet op de politieke partijen. In mijn Advies heb ik erop gewezen dat sommige politieke partijen een dubieuze interne structuur hebben, zodat het verstandig is om te gaan verlangen dat partijen aan een democratisch statuut voldoen. Wellicht kan dit ook hier worden ondergebracht.

P77-82 is speculatief t.a.v. de digitale toekomst terwijl dit toch een belangrijke taak voor de Scps was.

Hoge Raad, Constitutioneel Hof en Economisch Hof

Wat de Scps over een Constitutioneel Hof stelt (p82-87) spoort met mijn Advies terzake.

De Scps negeert echter mijn advies om ook aan een Economisch Hof te denken.

De Scps heeft een suggestie van mr Corstens, oud-president van de Hoge Raad, ontvangen om paal en perk te stellen aan politieke benoemingen van de Hoge Raad, en overweegt diens suggestie over te nemen (p87). De Scps vindt het dan blijkbaar wel acceptabel dat het kabinet een niet-wetenschapper benoemde tot directeur van het Centraal Planbureau, welk instituut claimt een wetenschappelijk instituut te zijn.

Het voorstel van mr Corstens is zwak. Voor zulke benoemingen, zoals voor de Hoge Raad of Economisch Hof, kan men zich voorstellen dat de voordracht door Raad of Hof zelf wordt gedaan, en dat de Tweede Kamer mag afwijzen. Zie het concept-amendement in DRGTPE p279-281.

Onderwijs over democratie

De Scps p88-91 filosofeert over het onderwijs in democratie. Voor een commissie die zelf zoveel steken in het democratisch denken laat vallen, en die blijkbaar onvoldoende studie van democratie heeft gemaakt, en zelfs geen interesse voor relevante nieuwe informatie toont, past bescheidenheid. Wel is er reden om aan het onderwijsveld te vragen hoe men het onderwijs t.a.v. democratie denkt te kunnen bevorderen.

Versterking van het parlement

De Tussenstand p94-120 bespreekt mogelijkheden tot versterking van het parlement, bestaande uit Eerste en Tweede Kamers.

Het is wederom vooral het herhalen van stappen. Ik wijs andermaal op mijn suggestie om de verkiezingen voor Eerste en Tweede Kamers, gemeenten, provinciale staten en zo mogelijk het Europees Parlement op dezelfde dag te houden, en de Eerste Kamer ook direct te kiezen. Het “probleem” van een verschillende politieke samenstelling van Eerste en Tweede Kamers zal zich dan ook minder voordoen. Overigens kunnen we beter aan afspiegelingskabinetten gaan denken, zodat het probleem van verschillende politieke verhoudingen in de twee kamers sowieso al minder relevant is.

De Scps wijst directe verkiezing af: “Dat heeft echter weer als risico dat de senaat op den duur steeds meer als overbodig wordt beschouwd.” Dit risico wordt uit de duim gezogen. Er is geen enkel bewijs dat indirecte verkiezing leidt tot een beter functioneren van de Eerste Kamer. Er is duidelijk aangegeven dat de Kamers verschillende taken hebben (ook al zijn beide taken politiek van aard). Die verschillende taken staan. Hoezo zou hier verwarring ontstaan ?

De Scps p98: “(…) de invoering van een zogeheten terugzendrecht: de bevoegdheid van de Eerste Kamer om een wetsvoorstel terug te zenden naar de Tweede Kamer. Er ontstaat dan een communicatiekanaal tussen de Kamers. De Eerste Kamer kan haar bezwaren direct overbrengen zonder afhankelijk te zijn van de regering.” Hier openbaart zich een wonderlijke denkwereld. De Eerste Kamer kan een wetsvoorstel reeds afwijzen, wat feitelijk neerkomt op terugzenden, omdat na afwijzing de Tweede Kamer weer een nieuwe versie kan indienen. Vervolgens kan de Eerste Kamer het eigen commentaar op schrift stellen (bjiv. de handelingen) en via een bode aan de Tweede Kamer sturen, zonder dat de regering eraan te pas komt. Aldus bestaan reeds de mogelijkheden die de Scps met een “terugzendrecht” wil regelen. Mogelijk zijn het juristen binnen de Scps die iets netjes willen opschrijven. Maar juristen hebben ook toegestaan dat de Eerste Kamer een novelle kon gaan maken, wat volgens de Grondwet dan eigenlijk verboden zou zijn. Juristen doen gewoon wat ze willen zolang ze ermee wegkomen, en hun grootste belang is dat ze uren kunnen declareren.

Voor een grondwetswijziging in tweede lezing is nu tweederde meerderheid voor de Eerste en Tweede Kamers apart vereist. Scps p100: “Daar komt bij dat de huidige procedure, waarin een derde deel van de Eerste Kamer een Grondwetswijziging kan blokkeren, de Eerste Kamer als instituut kwetsbaar maakt.” De term “kwetsbaar” lijkt me een misrepresentatie. Wanneer de Tweede Kamer bijvoorbeeld de Eerste Kamer wil afschaffen, dan kan de Eerste Kamer dit nu met eenderde tegenhouden, en dat is juist een sterke positie. De Scps stelt voor dat een verenigde vergadering wordt gehouden. In dat voorstel is 2/3 van 75+150 oftewel 150 zetels voldoende. Wanneer de Tweede Kamer unaniem de Eerste Kamer wil afschaffen, dan kan de Eerste Kamer dit in deze situatie niet meer tegenhouden. Waarom noemt de Scps dit niet ? Mogelijk volgt de Scps hier een salami-techniek.

Over de parlementaire enquête stelt de Scps (p104): “Dit instrument wordt door de Kamer ingezet om een oordeel te vellen over politieke fouten uit het verleden en daaruit lessen voor de toekomst te trekken.” Dit is een misvatting. Een parlementaire enquête is een instrument voor het verzamelen van informatie voor wetgeving. Dit is niet per se gericht op “politieke fouten”, ook al is er een neiging gegroeid om dit zo te gaan denken. De Scps verwijst hier naar een studie door S.C. Loeffen 2013 maar daar hoeft niet de grootste wijsheid te staan. Wel is het mooi dat de Scps de inzet van meer instrumenten voor onderzoek toejuicht, en ik heb al enkele onderwerpen voor parlementaire enquêtes voorgesteld.

Subsidiariteit

P107-112 over decentralisaties en p112-120 over Europa snijden belangrijke onderwerpen aan, maar weer in herhaling en inmiddels heeft de lezer er geen vertrouwen meer in. De Scps neemt een discutabel onderscheid door Luuk van Middelaar t.a.v. “regelpolitiek” versus “gebeurtenissenpolitiek” over, en gaat deze mooie woorden dan toepassen alsof de lezer met nieuwe inzichten verblijd kan worden, maar het gebaar sterft in overbodigheid. De Scps wijst op de motie-Duthler waarin de Tweede Kamer aan de Scps een speciale taak geeft over Europa. Dit lijkt me vooral een onderdeel te zijn van de Nederlandse saga omtrent de EU. Eerst werd het Europees Parlement opgericht om Europese Commissie en Europese Raad te controleren (of althans te becommentariëren), en nu ontdekt het Nederlandse parlement dat deze aanpak onvoldoende is, en dat het deze controle zelf moet gaan doen maar ook het Europese parlement erbij moet gaan controleren.

Opmerkelijk is de visie van de Scps dat de Grondwet niet aangepast hoeft te worden wanneer deze anders kan worden uitgelegd (p119): “De staatcommissie overweegt in dit verband dat een ruimere uitleg van artikel 91, derde lid, Grondwet dan thans het geval pleegt te zijn, een bruikbaar alternatief zou kunnen zijn voor het initiatiefvoorstel-Van der Staaij (…)”. Dit klinkt als “we zijn nog steeds getrouwd maar ik leg het iets anders uit”. Juristen weten zich soms heel populair te maken.

Literatuur

Colignatus (2014), “An economic supreme court”, RES Newsletter issue 167, October, pp. 20-21, http://www.res.org.uk/view/art7Oct14Features.html
Colignatus (2017a), “Voting theory and the Brexit referendum question”, RES Newsletter, Issue 177, April, pp. 14-16, http://www.res.org.uk/view/art4Apr17Features.html
Colignatus (2017b), “Great Britain’s June 2017 preferences on Brexit options”, RES Newsletter, Issue 177, October, http://www.res.org.uk/view/art2Oct17Features.html
Colignatus (2017c), “Dealing with Denial: Cause and Cure of Brexit”, https://boycottholland.wordpress.com/2017/12/01/dealing-with-denial-cause-and-cure-of-brexit/
Colignatus (2018a), “One woman, one vote. Though not in the USA, UK and France”, https://mpra.ub.uni-muenchen.de/84482/
Colignatus (2018b), “Comparing votes and seats with cosine, sine and sign, with attention for the slope and enhanced sensitivity to inequality / disproportionality”, https://mpra.ub.uni-muenchen.de/84469/
Colignatus, (2018c), “An overview of the elementary statistics of correlation, R-Squared, cosine, sine, Xur, Yur, and regression through the origin, with application to votes and seats for parliament”, https://doi.org/10.5281/zenodo.1227328
Colignatus, (2018d), “An overview of the elementary statistics of correlation, R-Squared, cosine, sine, Xur, Yur, and regression through the origin, with application to votes and seats for parliament (sheets)”, Presentation at the annual meeting of Dutch and Flemish political science, Leiden June 7-8, https://zenodo.org/record/1270381
Colignatus, (2018e), “The solution to Arrow’s difficulty in social choice (sheets)”, Second presentation at the annual meeting of Dutch and Flemish political science, Leiden June 7-8, https://zenodo.org/record/1269392

Geplaatst in Anatomie van Nederland, Democratie | Tags: , , , , , , , , , ,

Een bevestiging van vooringenomenheid, in strijd met empirische wetenschap

De Nederlandse taal maakt het onderscheid tussen Geesteswetenschappen en de Empirische Wetenschappen, en gebruikt de overkoepelende term “wetenschap”. In het Engels is er het onderscheid tussen de Humanities en Science, met als overkoepeling de academies of institutes of learning. Een taal of het taalgebruik schept perspectieven die nogal dwingend bepalen hoe je e.e.a. waarneemt en begrijpt. Terwijl het Engels “history is no science” meteen helder is, krijg je in het Nederlands de kronkel “geschiedenis is zowel empirisch als een wetenschap maar toch geen empirische wetenschap”.

De econometrie is bedoeld als de empirische zuil van de economische wetenschap die zelf ten dele ook geesteswetenschap is. (Zie hier voor het onderscheid tussen alfa, beta en gamma.) Wanneer een empirische wetenschap zelf nog onduidelijkheid ziet, kan dit leiden tot stromingen of zelfs perspectieven in de geesteswetenschappelijke zuil. In de economie heb je bijvoorbeeld de zoetwater economen (Chicago) versus zoutwater economen (Boston). In een opleiding economie dient aandacht gegeven te worden aan de diverse benaderingen. Een empiricus streeft naar uniform taalgebruik maar geesteswetenschappen hebben de neiging tot eigen jargon. Eventueel zou je zulke stromingen zelf ook weer perspectieven kunnen noemen, waarin hetzelfde bewijsmateriaal anders wordt geïnterpreteerd. Voor empirische economen blijft gelden dat onderscheidende experimenten bedacht moeten worden om tot uniforme definities en conclusies te komen. Bijvoorbeeld: een empirisch experiment dat ik voorstel t.a.v. de rol van de informatie in de economie is een parlementaire enquête naar de massale werkloosheid en de rol daarbij van de voorbereiding van het economisch beleid, en met name de rol van het Centraal Planbureau.

Met dit als voorwerk wil ik nu kijken de “political science on electoral systems”. De term “political science” is hier ongelukkig omdat dit onderdeel nog gevangen zit in perspectieven vanuit de geesteswetenschap, waarin het traditioneel denken dominant is en niet het empirisch denken. Mijn artikel One woman, one vote. Though not in the USA, UK and France (2018) (1W1V) toont dat de politicologie over kiesstelsels (political science on electoral systems) nog geen empirische wetenschap is, aldus de geesteswetenschappen nog niet is ontgroeid, en welbeschouwd vergelijkbaar is aan astrologie, alchemie of homeopathie.

1W1V kijkt met name naar Gelijke / Evenredige Vertegenwoordiging (GEV) versus het Districtenstelsel (DS). Het toont dat auteurs een vooroordeel en vooringenomenheid (bias) hebben ten faveure van het kiesstelsel dat in gebruik is in hun land van herkomst en ten nadele van het alternatieve stelsel. Het artikel 1W1V toont ook dat politicologen uit landen met GEV steeds meer neigen om de vooroordelen van DS over te nemen, wegens de dominantie van de USA en UK in de leidende (Angelsaksische) tijdschriften. Wanneer je niet meedoet aan het vooroordeel in de USA en UK dan heb je vermoedelijk minder kans om gepubliceerd te raken, en lijdt je loopbaan daaronder.

Zie 1W1V voor een stap voor stap uiteenrafelen van deze vooroordelen. Ik doe een beroep op het empirisch denken en de empirische wetenschap, want politicologen zijn erop getraind om hun vooroordelen juist niet te zien. Het bestaan van een vooroordeel laat zich natuurlijk maar moeilijk bewijzen. Het is derhalve een prettige verrassing dat ik onlangs op een nieuwe bevestiging voor het bestaan van dit vooroordeel (bias) zag. Dit is het onderwerp van dit weblog-artikel.

Een directe bevestiging van 1W1V

In 2015 ter gelegenheid van het 65-jarig bestaan van de Nederlandse Kring voor Wetenschap der Politiek (NKWP) trad de NKWP op als uitgever van Andeweg & Vis (eds) (2015). Daarin geeft Cees van der Eijk (2015) een blik vanuit het buitenland. Hij gaat dan in op de kloof tussen het denken in termen van GEV versus het denken in termen van DS.

Van der Eijk (2015:121):

“In 2004 heb ik de Universiteit van Amsterdam verruild voor de Unversity of Nottingham in Engeland. Nederlandse collega’s vragen mij met enige regelmaat in welke opzichten de politicologie en politicologenwereld in Engeland ‘anders’ is dan in Nederland en hoe ik dat ervaar.”

Van der Eijk (2015:122-123):

“Het grootste verschil echter tussen Engelse en Nederlandse politicologen zit in de onuitgesproken en als vanzelfsprekend ervaren verwachtingen en veronderstellingen over hoe politieke processen werken. Deze verwachtingen en veronderstellingen hebben hun wortels in het specifieke politieke stelsel waarin men is opgegroeid. Bijvoorbeeld: Nederlanders verwachten vaak en als vanzelfsprekend dat diepgaande meningsverschillen door compromis zullen worden opgelost, terwijl Engelsen als vanzelfsprekend verwachten dat een van de kampen ‘wint’ en de andere ‘verliest’. Ik heb zulke verschillen het sterkst ervaren toen ik met een oospronkelijk Briste collega (Mark Franklin) een leerboek schreef over Elections and Votes (Palgrave 2009). Elke alinea die in eerste instantie door een van ons was geschreven werd door de ander gekritiseerd als onrealistisch: ‘zo werkt politiek toch echt niet’. Elke keer bleek dat die meningsverschillen hun grond hadden in onze socialisatie in andersoortige politieke stelsels. De oplossing lag niet in tekstuele compromissen, en evenmin in het toegeven aan de ander, maar in het inweven als rode draad in het boek dat politieke processen worden beïnvloed door de socialisatie van de actoren. Zowel door deze samenwerking als door mijn nu ruim tienjarig verblijf in Engeland ben ik intellectueel verrijkt, en kan ik de Engelse politiek (evenals de Nederlandse) zowel vanuit het eigen perspectief zien en begrijpen als vanuit het perspectief dat aan de andere kant van de Noordzee gebruikt wordt, en kan ik dus ook begrijpen wanneer en waarom zij elkaar niet zonder meer ‘verstaan’. Anders gezegd: mijn verhuizing naar Engeland is, naar mijn eigen idee, goed uitgepakt, en ik heb er veel van geleerd dat ik nooit had kunnen leren als ik altijd in dezelfde omgeving was gebleven. Ik kan het iedereen daarom aanbevelen om voor kortere of langere tijd ‘elders’ te werken.”

Dit is een directe bevestiging van 1W1V dat er zulke vooroordelen bestaan. Laten we echter dieper graven.

Een indirecte bevestiging van 1W1V

Het is lofwaardig dat Van der Eijk (en denkelijk dan ook Franklin) zich bewust zijn geworden van deze ‘socialisatie’ (positief geformuleerd) van onderzoekers, en dit inzicht aan hun lezers en studenten doorgeven. Van der Eijk is echter nog niet scherp genoeg. Hij spreekt over “meningsverschillen” terwijl het in de empirische wetenschap om harde conclusies behoort te gaan. Het is toch ook echt iets anders om te stellen dat er andere “perspectieven” zijn versus het constateren dat bepaalde conclusies onhoudbaar zijn omdat die gebaseerd zijn op vooroordeel en vooringenomenheid.

Men kan zich natuurlijk voorstellen dat de kiezers in USA en UK hun kiesstelsel als democratisch ervaren, omdat ze zijn “gesocialiseerd” (geïndoctrineerd) om te denken dat dit nu eenmaal democratie is, en, dat wanneer de kiezers dit zo ervaren, de politici en politicologen dit dan maar als realiteit accepteren, en de processen dan ook in termen van “winnen versus verliezen” beschrijven. Voor politicoloog Van der Eijk heet dit een “perspectief”. Voor mij als empirisch wetenschapper klinkt dit echter alsof aderlaten ook maar een “perspectief” is. Van der Eijk vergoeilijkt aldus waar een empirisch wetenschapper alarm zou slaan.

Een empirisch wetenschapper constateert (zie 1W1V) dat de kiezers in de USA en UK verkeerde informatie krijgen over wat democratie is, en dat het de astrologen, alchemisten en homeopathen van de “political science on electoral systems” aldaar zijn die deze kiezers almaar deze onjuiste informatie blijven geven.

Met zijn verblijf in Engeland heeft Van der Eijk zich blijkbaar deels laten “socialiseren” (indoctrineren) door de misvattingen aldaar – en vermoedelijk omdat hij onvoldoende anker in empirisch onderzoek heeft. Immers, het verbaast dat hij jarenlang studie van hetzelfde onderwerp had gemaakt en toch nog niet had ontdekt welke bias er bestond en er alleen achterkwam via een directe confrontatie. Dit suggereert selectief lezen in plaats van onderzoek plegen.

Het zou een exercitie zijn om hun Elections and Votes (Palgrave 2009) te deconstrueren. Een goed voorstel lijkt me dat Van der Eijk & Franklin eerst 1W1V bestuderen en vervolgens een poging doen om hun eigen werk te deconstrueren, zodat zij zelf kunnen rapporteren hoe zij zichzelf en hun lezers en studenten verkeerde informatie zijn gaan geven.

Conclusies

Van der Eijk (2015) bevestigt dat er vooringenomenheid in de politicologie over kiesstelsels bestaat die in strijd is met de claim van empirische wetenschappelijkheid (“political science”).

Ten eerste constateert hij, en bevestigt hij zodoende, dat de herkomst vanuit landen met GEV of DS invloed heeft op de “socialisatie” van hun academici en hun blindheid t.a.v. het alternatieve stelsel.

Ten tweede ziet hij niet dat dit ten koste gaat van de empirische wetenschappelijkheid, omdat hij het voorstelt alsof het alleen zou gaan om “perspectieven” (een argument uit de geesteswetenschappen), terwijl een empirisch wetenschapper is getraind om door te redeneren dat door die “socialisatie” (indoctrinatie) wel degelijk de empirische wetenschappelijkheid ter discussie komt te staan.

Ten derde toont dit dat de vooringenomenheid van academici een crucialer probleem is dan de politieke cultuur in de onderscheiden landen. Kiezers in die landen worden verkeerd door hun academici en leraren voorgelicht. Het is een taak voor de empirische wetenschap om deze “political science on electoral systems” duidelijk te maken dat men nog geen werkelijke science is maar vergelijkbaar aan astrologie, alchemie en homeopathie. Ik verzoek natuurkundigen, biologen, psychometristen, etcetera, om te helpen. Het denken over democratie wordt bedreigd door wetenschappelijk wangedrag door politicologen.

Ten vierde werpt het de vraag op of het echt nodig is om te reizen om te ontdekken hoe een bepaald perspectief is. Je kunt de vooroordelen ook zien in wat men schrijft en doet. Wanneer je opleiding uit traditioneel denken in plaats van empirisch denken bestaat, dan neem je bij zo’n reis alleen je neiging mee om (nieuwe) oogkleppen te accepteren. Bijvoorbeeld voor historici en juristen kunnen we beter verlangen dat de opleidingen gaan zorgen voor een degelijke empirische basis, in plaats van dat de studenten meer moeten gaan reizen. In hun vooropleiding hebben zij gangbaar Wiskunde A met statistiek, en hierop kan worden voortgebouwd. Wiskunde is echter niet genoeg: je moet ook leren waarnemen.

Literatuur

Andeweg, R. & B. Vis (eds) (2015), “Politicologie in Nederland: Van Politisering naar professionalisering”, NKWP (wonderlijk genoeg niet online)

Colignatus, Th. (2018), “One woman, one vote. Though not in the USA, UK and France”, https://mpra.ub.uni-muenchen.de/84482

Eijk, C. van der (2015), “Blik vanuit het buitenland 2”, in Andeweg & Vis (2015), p121-123

Geplaatst in Anatomie van Nederland, Democratie, Methodologie, Rol van de wiskunde | Tags: , , , , , , , ,

De KNAW heeft teveel invloed van juristen

De KNAW publiceerde op 13 maart 2018 het antwoord – door hen “briefadvies” genoemd – op de motie van Karin Straus en Pieter Duisenberg over zelfcensuur en diversiteit in wetenschap. Zie ook dit bericht in de Volkskrant.

Dit antwoord van de KNAW luidt (p11):

“Naar aanleiding van de motie Straus-Duisenberg heeft de KNAW zich de vraag gesteld of er aanleiding is om ons in Nederland zorgen te maken over zelfcensuur en beperking van diversiteit aan perspectieven. Daarnaast heeft de KNAW zich gebogen over de vraag op of er specifiek in Nederland mechanismen bestaan die de vrijheid van wetenschapsbeoefening belemmeren en waarover we ons extra zorgen zouden moeten maken. In algemene zin is de KNAW van oordeel dat het antwoord op beide vragen ontkennend kan zijn. Wel zijn voortdurende alertheid en gepaste zorg noodzakelijk.”

Aan het antwoord hebben ook niet-juristen meegewerkt, maar de invloed van juristen blijkt dominant. Ik heb gangbaar grote waardering voor juristen – wanneer zij van deskundigheid blijk geven – maar heb er ook een groot probleem mee wanneer zij zich gaan bemoeien met de wetenschap – waar ze niet voor zijn opgeleid. Voorzitter van de KNAW-commissie was prof. mr. Nico Schrijver. Op zijn minst heeft Schrijver onvoldoende weerwerk tegen de juristen geboden, wellicht omdat het ook zijn eigen achtergrond is.

Laten we het langslopen.

Blinde juristen

Misschien spreekt de KNAW de waarheid dat ze het probleem niet zien. Wanneer ze het niet zien, dan zien ze het niet.

Wie blinden vraagt naar de kwaliteiten van schilderijen van Rembrandt of Van Gogh, krijgt het antwoord dat men verdient. Een eerlijke blinde zal zeggen blind te zijn, en alleen een vaag idee te hebben van wat het is om “te zien”. Een juridische blinde kan ieder wenselijk antwoord onderbouwen.

De KNAW zondigt zo tegen de eigen stelregel in hun voetnoot 4 op pag 10:

“Een wetenschapsbeoefenaar draagt er zorg voor dat zijn deskundigheid voor het uitoefenen van zijn taken op peil blijft. Hij aanvaardt geen taken waarvoor hij de nodige deskundigheid mist. Zo nodig geeft hij de grenzen van zijn deskundigheid aan.”

Prof. mr. Nico Schrijver had moeten melden dat hij vanuit zijn achtergrond geen empirisch wetenschapper is, en derhalve de empirische vraag van Straus en Duisenberg niet kon beantwoorden.

In het kamerdebat was er veel aandacht voor mogelijke politieke voorkeuren van onderzoekers. Voorzitter Schrijver wijst aandacht daarvoor af. In plaats van dat hij dit gewoon zo zegt en het daarbij laat, maakt hij er gebruik van dat de motie niet expliciet over politieke voorkeuren spreekt. Vervolgens zegt hij alleen naar de tekst van de motie te kijken, en spreekt verder in ruime zin over “vooringenomenheid”. Hier spreekt een behoefte aan juridische rechtvaardiging die sterker dan waarheidsvinding is.

Tevens richt de KNAW zich op de “academische vrijheid”, en sluit derhalve andere kennisinstellingen, zoals de planbureau’s van de overheid, uit. “In de beantwoording van deze vragen beperkt de KNAW zich tot wetenschappelijk onderzoek aan academische instellingen.” Onder de academische vrijheid valt ook de vrijheid van de wetenschapper om een eigen weg in te slaan, terwijl onderzoek bij de planbureau’s is gebonden aan maatschappelijke eisen. Maar ook de KNAW ontkomt niet aan zulke externe eisen, zoals bij contract-research. In alle gevallen blijft het wel om wetenschap en de vrijheid van denken gaan. Het is derhalve een raadsel waarom de KNAW niet-universitair onderzoek uitsluit. Omdat er geen inhoudelijke reden voor is, moet het wel weer de juridische dimensie zijn.

De Tweede Kamer krijgt dus geen onderbouwd advies

Het enige juiste antwoord dat de KNAW had kunnen geven was het onderzoek op te starten dat het advies mogelijk zou maken dat de Tweede Kamer heeft gevraagd. Wetenschappelijk correct was geweest om de Tweede Kamer daarna die relevante informatie te geven. Maar de juristen wonnen het van de empirische wetenschap. De KNAW zond de Tweede Kamer een antwoord dat zich zo laat vertalen dat de Tweede Kamer zich niet met de wetenschap moet bemoeien, behalve dan geld geven.

De KNAW legt vervolgens de bekende wegen uit, met hoe het formeel is, of zou moeten zijn geregeld, en sluit verder de ogen voor de praktische uitvoering van de regelgeving. Het KNAW-briefadvies blijkt zo knollen voor citroenen, een kat in de zak, en de KNAW stuurt de Tweede Kamer met een kluitje in het riet.

Negeren van bestaande signalen

KNAW:1 stelt: “Er zijn geen signalen dat er structureel sprake is van een beperking van deze vrijheid.” Maar dan geldt: (1) Ofwel men negeert bijv. de melding van Joop Hartog dat er sprake was van collectieve zelfcensuur t.a.v. migratie, zie hier, (2) ofwel men acht zulke meldingen alleen anecdotisch zodat diepgaand onderzoek nodig zou zijn, maar verricht dit diepgaande onderzoek niet: en maakt zodoende misbruik van het gegeven dat zulk diepgaand onderzoek nog niet bestaat. Het ontbreken van helderheid over zelfcensuur was juist ook aanleiding tot de motie.

Wat de KNAW doet is als zeggen dat er geen sprake van moord kan zijn omdat er geen lijk is, en dat er geen aanleiding is om in de kast te kijken omdat er geen sprake van moord is.

Juristen versus A.D. de Groot

KNAW:1 punt 1 stelt:

“De beginselen van behoorlijke wetenschapsbeoefening ‒ bestaande uit juridische kaders, gedragscodes en institutionele mechanismen ‒ vormen tezamen een goede basis voor het waarborgen van de vrijheid van wetenschapsbeoefening in Nederland.”

Dit is derhalve weer zeer juridisch gedacht, door juristen die vanuit hun opleiding niet kunnen weten wat wetenschap is, terwijl juist A.D. de Groot en H. Visser (2003) in Het forumwaarmerk van wetenschap, gepubliceerd door de KNAW, betogen dat er nog veel werk aan de winkel is.

KNAW:1 stelt:

“Aanbeveling (actor: KNAW): Stimuleer de formulering van een expliciete omschrijving van academische vrijheid en vrijheid van wetenschapsbeoefening in nationale en internationale regelgeving en gedragscodes. Agendeer het thema vrijheid van wetenschapsbeoefening op Europees niveau via de Europese koepelorganisaties waar de Akademie lid van is.”

Juristen denken in termen van omschrijving terwijl wetenschappers doen. Het is toch werkelijk geweldig wat de juristen allemaal hebben omschreven wat Aristoteles gewoon deed. Je zou kunnen proberen te stellen dat Popper, Kuhn en A.D. de Groot ook e.e.a. “omschreven”, maar methodologie van wetenschap is toch wat anders dan waar juristen mee bezig zijn.

Er bestaat een gapend gat t.a.v. de “gedragscodes”. Deze zijn gangbaar opgesteld met het oog op “integriteit van wetenschap”. Zij hebben het effect dat zaken onbespreekbaar kunnen worden doordat kwesties meteen in de sfeer van (persoonlijke) integriteit worden getrokken. Zie hier over het falen van Pieter Drenth en ALLEA. Voor het bespreekbaar maken van zaken en voor het aanspreekbaar maken van wetenschappers is juist het forum wezenlijk.

Peer review kan pseudo-science verhullen

KNAW:7 stelt:

“Ondanks kritiek op het systeem, is peer review tot nu toe de enige breed geaccepteerde methode voor de validatie van subsidieaanvragen en uitkomsten van onderzoek. Wel zijn in het proces verbeteringen mogelijk.”

Peer review is wellicht breed geaccepteerd maar het is ook zeer ondeugdelijk. Het is een effect en geen oorzaak. Natuurkundigen doen wetenschap en gebruiken peer review, maar wanneer pseudo-wetenschappers tijdschriften oprichten en elkaar gaan beoordelen dan wordt het daardoor nog geen wetenschap. Zie mijn advies aan VSNU voor een fundamenteel bredere aanpak van het publicatieproces.

De juristen van de KNAW denken dat wanneer Ivanka Trump een zilveren medaille omhangt, ze ook het kampioenschap heeft gewonnen. Zelfs Ivanka weet wel beter.

2018-02-25-Ivanka

Lauren Gibbs offers Ivanka Trump to wear her silver medal. “I feel like this almost is like trying on someone’s wedding band,” said Trump. Screenshot from Source

De kern blijft dat wetenschappers zich verantwoorden voor het forum, en dan dient dat forumwaarmerk ook valide te zijn. De KNAW maakt melding van “onderzoeksscholen”, maar toont dan een te grote tolerantie voor clusters van pseudo-wetenschap, vooral, denkelijk, vanuit het juridisch denken, dat ooit benoemde “wetenschappers” nu eenmaal benoemd zijn. De KNAW vindt ontslagprocedures vervelend, en de kwaliteit van wetenschap moet daar dan maar voor wijken.

Negeren van vooringenomenheid die is aangetoond

Dan lezen we op p10 toch weer een andere structurele oorzaak voor zelfcensuur: “Peer review is een goed systeem maar vooringenomenheid en zelfcensuur van onderzoekers en schoolvorming kunnen een risico vormen.” Maar peer review is juist geen goed systeem wanneer men elkaar de publicaties toeschuift.

Zie mijn advies tot ontslag van de hoogleraren economie (2005), zie mijn deconstructie van het onderzoek aan onderwijs in wiskunde (2009, 2015) en het onverantwoord experiment op kinderen (2015), zie mijn deconstructie van de politicologie over kiesstelsels (2017, 2018). Wanneer maatschappelijke misstanden bestaan dan loont het om óók door te graven naar wat er daaraan wetenschappelijk niet klopt.

Opvallend is dat deze publicaties van mij op de literatuurlijst van de KNAW ontbreken, terwijl de KNAW peer review hadden kunnen doen door deze nu eens zorgvuldig te lezen. Hun briefadvies is echter geen resultaat van peer review maar een product van hun eigen kokervisie en juridische focus.

Waar ik het werk van zulke universitair benoemden aan mijn eigen peer review heb onderworpen, en tot deconstructie kom dat zij geen wetenschap doen, dan gaat de KNAW dit gewoon negeren, terwijl het toch die peer review is die de KNAW zo toejuicht. Men denkt daar niet logisch na, en houdt alleen juridisch vast aan oude stramienen.

Meer geld vragen

KNAW:8 maakt van de gelegenheid gebruik om meer geld te vragen: “dat innovatieve maar wetenschappelijk, maatschappelijk en/of politiek risicovolle projecten nauwelijks meer voor financiering in aanmerking komen”. Stel dat je voor wetenschap eerst een budget van 100 hebt, en daarna wordt dit 90. Dan is dit allemaal toch nog wel wetenschap, mag je hopen. Dus dit vragen om meer geld heeft niets te maken met het beantwoorden van de motie van Straus en Duisenberg. Het is ongepast om dit er wel van te maken.

Toch blijken er structurele bronnen voor zelfcensuur

Terwijl men hierboven structurele invloed afwees, blijkt er t.a.v. de geldstromen wel sprake te zijn van een structurele invloed:

“Enerzijds kan externe sturing de verankering van de wetenschap in de samenleving versterken en zelfcensuur binnen de wetenschap voorkomen. Anderzijds kan het als gevolg hebben dat sommige onderwerpen onderbelicht raken omdat er in de samenleving (tijdelijk) minder belangstelling voor bestaat, terwijl daar uit wetenschappelijk inhoudelijk oogpunt geen reden toe is.”

Hoezo kan de KNAW nu plotseling wel spreken over zo’n bron van zelfcensuur ? Het werd toch juist ontkend ? De diepere oorzaak moet in juristerij liggen, waarin men op magische wijze zowel A als niet-A kan beweren, waarna de rechter plots uit de hoge hoed een vonnis velt.

Benoemingen

KNAW:9 wijst op het benoemingsbeleid en profielen voor leerstoelen. Momenteel wordt voor vaste aanstellingen reeds een proefschrift geëist. Deze zijn gangbaar samengesteld uit artikelen die eerder peer review zijn verschenen. De KNAW impliceert dat deze eisen onvoldoende zijn, en dat extra zorg nodig is ! Klaarblijkelijk zijn proefschriften onvoldoende voor de promovendi om te leren wat wetenschap is ! Maar dit ondergraaft volledig wat de KNAW eerder heeft gesteld. Het erge is dat de KNAW niet eens doorheeft hoezeer men zichzelf in de voet schiet.

Affaire Buikhuisen

KNAW:10 verwijst naar de affaire Buikhuisen: “Nu, enkele decennia later, is onze visie hierop veranderd en zou dergelijk onderzoek waarschijnlijk wel geaccepteerd zijn (…).” Als zodanig toont dit dat de KNAW erkent dat er maatschappelijke modes en taboes kunnen zijn. De afwijzing van de gedachte achter de motie van Straus en Duisenberg doet dan vreemd aan. De KNAW zou dan beter op zoek kunnen gaan naar huidige taboes, en dan niet slechts in de maatschappij maar bijvoorbeeld ook eens in de boezem van de wetenschappelijke wereld zelf. Het is curieus dat de KNAW zulke niet kan vinden, terwijl ik er al enkele heb aangedragen.

Terzijde: Leids hoogleraar statistiek Jacqueline Meulman meldde (persoonlijke communicatie) dat het onderzoek van Buishuisen was stopgezet wegens ondeugdelijke statistiek. Het is vreemd dat de KNAW daar niet van weet: mogelijk is er een taboe op goede statistiek ? Maar Meulman is mijzelf ook onbetrouwbaar gebleken.

Zeggen te leren, maar feitelijk niet leren

KNAW:10 spreekt een waar woord:

“Wat we kunnen leren van deze affaire, is dat wetenschap en samenleving zorgvuldig om moeten gaan met het spanningsveld tussen waarheidsvinding en het effect van onderzoeksresultaten op de maatschappij. De dialoog tussen wetenschappers onderling en tussen wetenschap en maatschappij is daarbij van groot belang. Een pleidooi voor vrijheid van wetenschapsbeoefening is niet alleen een pleidooi voor het recht om vrijelijk onderzoek te doen en de resultaten daarvan te verspreiden maar ook een pleidooi dat wetenschappers de verantwoordelijkheid nemen het debat met de maatschappij aan te gaan.”

  • Laat de KNAW dan de antwoorden op mijn bovenaangehaalde meldingen van misstanden in de wetenschap aanwijzen. Wanneer zulke antwoorden ontbreken (en zij ontbreken) dan verwacht ik dat de KNAW de conclusie trekt dat hun eigen ware woord ook een uiting van grote hypocrisie is, omdat de KNAW zich niets van die meldingen en het uitblijven van een antwoord aantrekt.
  • Bovendien, terwijl Straus en Duisenberg juist een maatschappelijk signaal geven dat er wat wringt, en er aldus een verzoek aan de KNAW ligt om juist eens die dialoog aan te gaan, dan zou het juiste antwoord liggen in het opstarten van dat diepergravende onderzoek naar zelfcensuur en beperking van diversiteit, in plaats van de Tweede Kamer zoals nu met een kluitje in het riet te sturen.

Kromme begrippen

KNAW:10 spreekt over een “grens” tussen wetenschap en politiek. Het is misschien een jurist die zo denkt. In ieder geval is er niet zo’n “grens” maar het zijn verschillende dimensies.

KNAW:11 verhaspelt: “Vrijheid van wetenschapsbeoefening houdt ook de plicht in tot een rapportage van alle resultaten waartoe het onderzoek leidt.” Hier is “vrijheid van” aan het begin geheel overbodig. De juristen van de KNAW stoppen het er stiekem in omdat het appelleert aan de “academische vrijheid”, waardoor de valkuilen van de contract-research worden verdonkermaand. De werkelijkheid is deze: het gaat om de vrijheid van denken. Wanneer een onderzoeker bij contract-research door de eisen van wetenschap in conflict komt met de opdrachtgever, dan dient de KNAW deze onderzoeker te beschermen – en de juristen van de KNAW willen daar niet aan. Hun witteboordencriminaliteit is dat ze de vereisten van de moderne kennismaatschappij zover mogelijk buiten de poorten van de KNAW willen houden.

Specifiek Nederlands mechanisme

De KNAW zocht ook naar een specifiek Nederlands mechanisme. Willem Frederik Hermans heeft een specifiek Nederlands mechanisme benoemd: de regentenmentaliteit. Soms omschreven als likken naar boven en trappen naar beneden. Het is de vraag of dit in de rest van de wereld werkelijk anders is, want de mens blijft een sociaal wezen. Maar het zou kunnen dat elders in de wereld toch meer respect voor wetenschap bestaat, dus ook: daadwerkelijk blijkend uit respect voor de individuele wetenschapper.

Het is onjuist dat de KNAW voorbijgaat aan dit specifiek Nederlands mechanisme, althans zoals benoemd door WFH, en recentelijk benadrukt door zijn voormalig student-assistent Lucas Kroondijk, als Willem Freselijk Haarmens in de sleutelroman “Zonder Professoren“.

ZonderProfessoren

Wetenschapper en onderzoeksgroep

KNAW:10 erkent:

“Er kan ook sprake zijn van zelfcensuur door de onderzoeker zelf.”

Klaarblijkelijk gingen pagina 1-9 vooral over het collectieve zelf. De klacht van de toenemende individualisering in de samenleving geldt niet voor de wetenschap. Blijkbaar is dit collectieve zelf ook zo dominant in de wetenschap (danwel de juridische perceptie van het gebruik van die term) dat de KNAW er niet echt aan toekomt om het individuele zelf nader uit te werken (of te “omschrijven”).

De motie van Straus en Duisenberg houdt geen rekening met dit juridische onderscheid tussen dit individuele en collectieve zelf. Zij worden welbeschouwd met een collectief kluitje in het riet gestuurd, terwijl de KNAW eerlijker was geweest wanneer men had gemeld dat het individuele zelf juridisch nog wel wordt onderscheiden maar feitelijk is afgeschaft. Bij een goede team spirit beslist de baas van de onderzoeksgroep immers, want zo is het juridisch geregeld.

Tenminste één mooie frase

Wel lezen we op p6 deze mooie frase: “protection from undue influences on their independent judgement”. Precies. De directie van het CPB met zijn voortdurende censuur en intimidatie sinds 1990 pleegt een inbreuk op mijn onbevangen oordeel en hoe anderen dat kunnen ervaren. Gelukkig kan ik mijn onbevangenheid bewaren, maar de directie pleegt wel die censuur en machtsmisbruik. Waar o waar is die “protection” ? Wie in Nederland snapt wat wetenschap is ? De KNAW niet, daar ligt de nadruk op juridica t.a.v. de term “wetenschap”, en dan alleen aan de universiteiten en niet de planbureau’s.

KNAW conclusies

KNAW:11 punt 1: “Er zijn geen signalen dat er structureel sprake is van een beperking van deze vrijheid [van wetenschapsbeoefening].” Dit is een grove onwaarheid. Er is sinds 1990 censuur van wetenschap in Nederland.

KNAW:11 punt 2: Vragen om meer geld.

KNAW:11 punt 3: “Goede afspraken vooraf tussen onderzoeker en opdrachtgever kunnen dit voorkomen.” Wat zijn in ‘s vredesnaam “goede afspraken” ? Is het ambtenarenrecht voor wetenschappelijke medewerkers bij het CPB een “goede afspraak” wanneer dit censuur en machtsmisbruik sinds 1990 toestaat cq. wanneer rechters dit recht verkeerd toepassen ? Of bedoelen de juristen dat iedere wet een “goede afspraak” is omdat het immers wettelijk tot stand is gekomen, cq. dat praktische uitvoering niet relevant is wanneer de afspraak maar “goed” want wettelijk is ?

KNAW:11 punt 4: “Vooringenomenheid van onderzoekers (al dan niet bewust) en ongewenste, vrijheid beperkende schoolvorming kunnen een gevaar vormen voor een adequate wetenschapsbeoefening.” Dat is niet slechts “kunnen” maar is reeds het geval, zie de genoemde gevallen.

KNAW:11 punt 5: “is het van belang om ruimte te bieden”. Kom nog eens om een open deur. “essentieel is dat diversiteit op landelijk niveau ontstaat en dat hoeft lokale schoolvorming dus niet in de weg te staan”. Hiermee verandert men het onderwerp. Het probleem was niet schoolvorming maar pseudo-wetenschap, met zelfcensuur en gebrek aan diversiteit.

KNAW:11 punt 6: “dialoog”. Een gotspe. T.a.v. de censuur van wetenschap sinds 1990 door de directie van het CPB is er geen groter oester dan de KNAW.

KNAW aanbevelingen

KNAW:12 punt 1: Verwar geld met het inhoudelijk probleem.

KNAW:12 punt 2: Negeer de kritiek t.a.v. gedragscodes en ALLEA.

KNAW:12 punt 3: Negeer de kwestie die sinds 1990 loopt, en gebruik de juridische illusie van een “grens” terwijl het om verschillende dimensies gaat.

KNAW:12 punt 4: Vergeet dat wetenschappers ook elkaar kunnen controleren. Geef bestuurders meer macht, in plaats van (zoals de forumtheorie van De Groot wil) de onderzoekers zelf.

KNAW:12 punt 5: Geef juristen meer macht.

Ter afsluiting

Het zal me verbazen wanneer iemand in de Tweede Kamer nog aanstoot aan dit KNAW-briefadvies zal nemen. Karin Straus is geen kamerlid meer en met voor wikipedia onbekende bestemming vertrokken. Pieter Duisenberg is voorzitter van de VSNU geworden – hetgeen mij onjuist lijkt omdat hij onvoldoende achtergrond in wetenschap heeft. Het lijkt erop dat dit alles in juridische schoonheid zal sterven tenzij iemand toch nog iets met dat spannende begrip van “zelfcensuur” wil doen. Welk kamerlid voelt zich aangesproken ? (Thierry Baudet tel ik niet mee want hij vormt een geheel eigen categorie van warhoofd.)

Geplaatst in Anatomie van Nederland

Schrikken van de grote negatieve invloed door het wetenschappelijk falen door ook Hans Daudt

In deze bespreking kijken we naar (1) de keuze van de volksvertegenwoordiging voor de wetgevende macht, en (2) de vorming van een kabinet voor de uitvoerende macht. Die twee zaken hangen samen:

  • Er is het cruciale onderscheid tussen evenredige vertegenwoordiging en districtenstelsel. Bij evenredige vertegenwoordiging heeft een partij met p% van de stemmen in principe ook p% van de zetels, afrondingsproblemen daargelaten. Bij een enkelvoudig districtenstelsel gaat het er alleen om, per district, wie in een district de meeste stemmen heeft (of nog strenger een echte meerderheid), en met de andere stemmen wordt niets gedaan.
  • Bij evenredige vertegenwoordiging moet gangbaar onderhandeld worden over de vorming van een kabinet, wellicht tenzij een partij meteen de meerderheid haalt. Bij een districtenstelsel is de gedachte dat gangbaar direct een meerderheid ontstaat, ook al laat de praktijk in Engeland in de laatste tijd zien dat dit niet per se hoeft.

Met deze gegevens zijn er twee relevante oplossingen:

  • De beste aanpak: Wie onderzoekt wat het beste stelsel zou zijn, komt, via de welvaartstheorie uit de economie, snel uit bij evenredige vertegenwoordiging met een afspiegelingskabinet, d.w.z. een kabinet waarin zoveel mogelijk partijen deelnemen (behalve partijen met extreme visies).
  • De gangbare aanpak: Het is een oude gedachte dat een meerderheidscoalitie zou volstaan. Ook bij evenredige vertegenwoordiging, in Nederland sinds 1917, kan het voor een meerderheid logisch zijn om voorrang te geven aan de eigen politieke visie. Argument daarvoor zijn helderheid en daadkracht, en het niet “verspillen” van tijd aan het zoeken naar een compromis. Die helderheid en daadkracht zijn ook kernargumenten voor het districtenstelsel. Wie de argumenten hiervoor zorgvuldig onderzoekt, ontdekt echter dat dit drogredeneringen zijn.

Ik heb altijd gedacht dat Nederland met zijn evenredige vertegenwoordiging goed bestand was tegen de voorstellen voor het districtenstelsel en de gedachten die daaromtrent spelen. Wel zag ik dat ook Nederland koos voor meerderheidscoalities in plaats van afspiegelingscoalities. Mijn indruk was dat politici dan geen weerstand konden bieden tegen de verleiding om de eigen visie door te drukken. Het verbaasde mij wel dat de oppositie / minderheid die meerderheidsgedachte accepteerde, en niet pleitte voor de vorming van een afspiegelingskabinet, waarin meer ruimte voor diversiteit zou bestaan.

Nu echter kom ik tot de ontdekking dat het denken over het districtenstelsel wel degelijk invloed heeft gehad op het denken in Nederland. Het heeft namelijk het denken in termen van meerderheidscoalities bevorderd. We kunnen de oorzaak hiervan traceren naar de politicologie.

Hans Daudt en Ed van Thijn

In mijn advies aan de Staatscommissie parlementair stelsel leg ik uit dat de “politicologie over kiesstelsels” nog pre-wetenschappelijk is. Deze politicologen gebruiken vage termen en steunen op het algemeen taalgebruik, waardoor zij geen oog voor cruciale verschillen hebben. De laatste week is mij gebleken dat dit ook voor Hans Daudt (1925-2008) gold die als een van de stamvaders van de Nederlandse politicologie telt. Een van diens leerlingen is Ed van Thijn (geb. 1934), die als PvdA-politicus een grote invloed had op de “meerderheidsstrategie” en de stembusakkoorden van die PvdA vanaf circa 1968. Zij volgden het denken in termen van meerderheden zoals gebruikelijk voor het districtenstelsel, in plaats van het denken in termen van afspiegelingskabinetten zoals volgt uit de welvaartstheorie in de economie. De Nederlandse politiek heeft daar grote last van gehad en is er nog niet geheel van hersteld. Anno 2018 heeft Nederland wederom een meerderheidscoalitie en geen afspiegelingskabinet. In het vorige weblog entry besprak ik hoe Jan Pronk (geb. 1940) nog steeds in die termen denkt, en hoe onlogisch dit is. Het is schrikken van de grote negatieve invloed door het wetenschappelijk falen der politicologen en ook door Hans Daudt.

De verleiding van de omgangstaal

Hierboven zagen we dat het (enkelvoudige) districtenstelsel alle stemmen gebruikt om te bepalen welke partij de meeste stemmen heeft, welke partij dan de zetel krijgt. We zagen ook dat verder niets wordt gedaan met de andere stemmen. In wezen worden die weggegooid. Het weggooien van stemmen is in strijd met artikel 21 van de rechten van de mens, dat men in vrijheid een vertegenwoordiger moet kunnen kiezen. Wanneer je op partij A stemt, dan is het bizar om te stellen dat iemand van partij B je vertegenwoordiger wordt. Om die reden is een presidentieel stelsel met direct gekozen “chief executive” ook minder democratisch.

Het is uitermate wonderlijk dat de “politicologie over kiesstelsels” het districtenstelsel ook als “democratie” beschouwt, en niet slechts als “proto-democratie”. Het is alleen historisch verklaarbaar, vanuit het verzet van burgers tegen de aristocratie. Wie in de politicologische literatuur duikt – zie mijn artikel “One woman, one vote. Though not in the USA, UK and France” – ontdekt dat de politicologen verward zijn door traditie, taalgebruik en gebrek aan analytische scherpte. Met drogredeneringen scheppen zij een rationalisatie waardoor ze zelfs gaan beweren dat juist een districtenstelsel een betere democratie zou zijn.

  • Deze politicologen steunen op de omgangstaal, waardoor ze kunnen stellen dat er zowel in Nederland als de USA “verkiezingen” zijn. Wanneer stemmen systematisch worden weggegooid zoals in de USA dan is de omgangstaal versluierend, en moet een wetenschapper juist tegen dat versluierend taalgebruik protesteren. Men kan beter zeggen dat de USA “halve verkiezingen” kent.
  • Er is het onderscheid tussen stemmen voor een enkele zetel, zoals een president, en het stemmen voor volksvertegenwoordigers in een parlement. Bij een keuze voor een president zou men er wellicht vrede mee kunnen hebben dat zo’n helft van de bevolking teleurgesteld raakt. Men moet het stemmen voor een district niet gaan voorstellen als het stemmen voor een president, wanneer de bedoeling een andere is, namelijk het kiezen van een volksvertegenwoordiging. Deze politicologen zeggen dat ze het onderscheid maken maar feitelijk doen ze het niet, want in een (enkelvoudig) districtenstelsel worden de zetels behandeld zoals bij een presidentsverkiezing.
  • Deze politicologen menen dat kiezers bij een districtenstelsel meer kansen hebben om een andere regering te kiezen. De kiezers zouden dan meer macht hebben om het beleid bij te sturen. Dit is het argument van “accountability” (verantwoording, aanspreekbaarheid). Wie goed naar de onderbouwing kijkt constateert dat dit argument niet deugt. Misschien zijn de politicologen in de war tussen enerzijds een enkel district, waar misschien minder dan de helft van de stemmen nodig is om een gekozene weg te sturen, en anderzijds het systeem als geheel ? Voor het systeem als geheel geldt dat er vaak “veilige districten” zijn, bijv. via “gerrymandering“, zodat een regering juist aan de macht kan blijven met een minderheid van de stemmen. Het blijkt dat juist evenredige vertegenwoordiging de grootste verantwoording / aanspreekbaarheid heeft, omdat daarin immers preciezer blijkt hoe de meerderheid erbij staat.

Een tweede punt is het onderscheid tussen het kiezen van de uitvoerende macht (een regering) en het kiezen van een volksvertegenwoordiging (de Kamers). Bij evenredige vertegenwoordiging gaat het om de Kamers, waarbij vervolgens de Tweede Kamer de regering vormt. In de USA wordt ook de president direct gekozen, maar dat leidt vaak tot een botsing van de twee mandaten, waardoor het landsbestuur vaak verlamd raakt. Politicologen kunnen de verwarring hieromtrent vergroten door het een “nadeel” te noemen dat evenredige vertegenwoordiging geen directe en alleen indirecte invloed op de samenstelling van de regering betekent. Dat is zoiets als zeggen dat het een “nadeel” is dat goud niet tegelijkertijd diamant is. Taal is hier heel flexibel maar het is gewoon onzin.

Daudt zag het blijkbaar niet

In het boek “Echte politicologie” (Bert Bakker 1995) blijkt dat Daudt in zijn proefschrift kritisch keek naar het werk van de Engelse en Amerikaanse politicologen ten aanzien van de zwevende kiezer. Blijkbaar was er geen principiële belemmering om kritisch naar zulk werk te kijken. Toch lezen we bij Daudt geen fundamentele kritiek op het verschijnsel dat de Engelsen en Amerikanen hun districtenstelsel superieur achten aan het stelsel met evenredige vertegenwoordiging. In Leiden, en bij de naar de USA verhuisde Arend Lijphart, zien we juist wel een verdediging van de evenredige vertegenwoordiging, maar, opmerkelijk genoeg, vooral met de houding van “het is ook een model” en nog niet het inzicht dat het districtenstelsel juist ondeugdelijk is, en alleen proto-democratisch kan worden geacht.

Hoe Daudt er precies over dacht is alleen nog historisch interessant. Mij gaat het nu om de invloed op het denken in Nederland tot op de dag van vandaag.

Daudt, D66 en Commissie Cals-Donner

In 1966 werd D66 opgericht met de kroonjuwelen van districtenstelsel en direct gekozen premier en burgemeester, waar later nog het referendum werd toegevoegd. D66 deed hiervoor geen wetenschappelijk onderzoek maar keek vooral naar de USA. Na de verkiezingen van 1967 stelde het kabinet De Jong de commissie Cals-Donner in om naar grondwet en kieswet te kijken. In “Echte politicologie” vertelt Daudt (p453-451) dat hij Den Uyl tegenkwam en hem bekende als PvdA-lid toch op D66 te hebben gestemd om een kabinet Den Uyl mogelijk te maken, en dat Den Uyl hem toen voor die commissie voordroeg. Daudt legt ook uit dat bij binnen die commissie een beperkt districtenstelsel en de direct gekozen (in-) formateur verdedigde, maar dat er geen meederheid voor was.

We mogen Cals en Donner dankbaar zijn dat men niet met de dwaling door Hans van Mierlo, D66 en Daudt is meegegaan. Bij de PvdA had Van Thijn meer ruimte om te dwalen. Door zo op het meerderheidsdenken en het vermeende eigen gelijk te hameren, haakten de andere partijen af. Of er anders een tweede kabinet Den Uyl had kunnen komen is hier niet aan de orde. Waar het om gaat is dat de afspiegelingsgedachte in de knel kwam, nl. de gedachte dat alle (acceptabele) partijen aan het landsbestuur zouden meedoen, met een nette scheiding tussen uitvoerende macht en controlerende macht. (Dit is geen “zakenkabinet” want het blijft om politieke functies gaan.)

Bekering ?

In de inleiding tot “Echte politicologie” p29 doet Joop van den Berg (geb. 1941) een waarneming die hij “ironisch” noemt :

“dat Daudts artikel uit 1976 [“De politieke toekomst van de verzorgingsstaat”, 10 jaar na 1966] een ‘bekering’ impliceert, weg van het streven van de ‘Amsterdamse school’ in de politicologie naar een meerderheidsbestel tot dat van de ‘Leidse school’ naar behoud van de Nederlandse consensusdemocratie.”

Mijn probleem hiermee is dat Daudt hiermee met name denkt aan de “Ostrogorski-paradox” die hij samen met Douglas Rae ontwierp en naar Ostrogorski (1854-1921) noemde. Het idee is dat partijen stemmen kunnen verzamelen op specifieke onderwerpen, waarna een meerderheidscoalitie beleid kan voeren waar een meerderheid van de kiezers juist tegen is. Het voorbeeld van Daudt & Rae kent twee partijen, drie onderwerpen, en vier groepen kiezers. Technisch klopt het voorbeeld. Mijn antwoord is dat het bij evenredige vertegenwoordiging logischer is dat er vier partijen ontstaan. Bij een districtenstelsel met neiging tot twee partijen is het voorbeeld wel sterk, maar het is dan een argument tegen het districtenstelsel. Maar ook bij evenredige vertegenwoordiging en 150 kamerzetels zullen er wel meer dan 150 onderwerpen zijn zodat deze Ostrogorski-paradox zelfs bij 150 partijen zeer wel kan voorkomen. Als zodanig overtuigt het weinig, want regeren per referendum blijft inferieur aan het stelsel met volksvertegenwoordigers en politieke partijen. Referenda hebben immers hun nog veel ergere paradoxen, en politieke partijen kunnen zorgen voor het integraal kader van hun politieke visie. De Ostrogorski paradox is daarmee weliswaar een waarschuwing tot voorzichtigheid t.a.v. beleid en bescheidenheid voor meerderheidscoalities, maar niet de fundamentele reden om het districtenstelsel als ondeugdelijk af te wijzen.

(Robert Dahl, “A preface to democratic theory”, 1956, p128, geeft deze paradox ook al, maar dan voor een presidentieel stelsel met twee kandidaten. Zie 1W1V p100-101 voor deconstructie hiervan.)

In “Echte politicologie” meldt Joop van den Berg dat hij vanaf 1976 minstens eenmaal per maand met Daudt lunchte, eerst toen Daudt ook in Leiden werkzaam werd en daarna voortgezet in Amsterdam. Blijkbaar heeft Van den Berg tijdens die lunches nimmer de doorslaggevende argumenten tegen het districtenstelsel genoemd, of vergeet Van den Berg die argumenten nu te herhalen, of was Daudt hierover niet aanspreekbaar. Mijn indruk is dat Van den Berg als jurist blijkbaar niet de wiskundige scherpte had om die argumenten ook zelf te ontdekken, zoals ook gold voor de gehele “Leidse school”.

Daudt, in zijn terugblik in 1989 (weer 13 jaar later) op de commissie Cals-Donner (“Echte politicologie” p453-461), stelt: “Degenen, die meenden dat staatrechtelijke vernieuwing nodig was om de landelijke politiek nieuw leven in te blazen, hebben op drie manieren aan het kortste eind getrokken.” Deze uitdrukking betekent dat men in het nadeel is. Men verwacht dat Daudt zou stellen dat die voorstellen alsnog ingevoerd zouden moeten. Verrassend genoeg geeft Daudt redenen om er enigszins vrede mee te hebben dat de voorstellen juist niet zijn overgenomen.

Wellicht is Daudt bekeerd maar dan heeft hij nog niet de relevante kritiek t.a.v. het Amerikaanse kiesstelsel geformuleerd, zoals ook de Leidse school in gebreke blijft.

Partitocratie 2002-2016

2 Dagen voor de moord op Fortuyn publicieerde de NRC een artikel “De illusie van democratie” door Gerard van Westerloo (1943-2012).

“Een rondgang langs professoren leidde tot de volgende conclusies: politiek is gedegradeerd tot bestuur, de regentenstand speelt elkaar baantjes toe en het parlement oefent nauwelijks meer controle uit. De politieke partij is vooral een opstapje geworden voor een verdere carrière. Mag dit stelsel nog een democratie heten?”

Daudt is helder:

“Nederland, schreef hij nog voordat er sprake was van Fortuyn, is mogelijk een oord van vrijheid en zeker een rechtsstaat, maar Nederland is allerminst een democratie.”

Mogelijk is Daudt na de door Van den Berg “ironisch” geconstateerde “bekering” weer terugbekeerd tot zijn oorspronkelijke standpunt ? Als zodanig is het alleen historisch interessant, maar, voor lezers anno 2018 is er wel de voortdurende kritiek op het “partijenkartel”.

Daudt krijgt grotendeels steun van Ankersmit, Frissen, Hajer, Tromp, Kalk, Voerman, De Beus, Tops, Baakman, In ’t Veld, Van Praag, C. de Vries, Becker, C.J. Klop, Mair, Blom, Rosenthal.

Zelfs ook Joop van den Berg:

“‘Ja’, antwoordt hij, ‘iets van een politieke kaste is er wel. Daudt overdrijft misschien en dat doet hij expres, maar inderdaad, de trekken van een nomenklatoera, daar heeft het wel iets van.'”

Na alle kritiek trekt Van Westerloo de conclusie:

“Een doorleefd alternatief heeft de verzamelde politicologie niet te bieden, alleen een diagnose. Dat het volksvertegenwoordigend systeem behoorlijk ziek is. Maar een remedie? O ja, de roep om een persoonlijke keuze klinkt op. Maar in Engeland, waar elke kandidaat sinds mensenheugenis zijn district moet zien te winnen, gaan stemmen op die juist pleiten voor een evenredig kiesstelsel. De liberalen trekken daar elke keer weer een hoop kiezers en een miniem aantal zetels. Nee, een simpele remedie is er niet. Het lijkt er eerder op alsof onze rijkvertakte, sterk geïndividualiseerde en verinternationaliseerde samenleving te ingewikkeld geworden is voor zoiets simpels als een volksvertegenwoordigende democratie.”

Tja, als zelfs wetenschappers en journalisten in een democratie als Nederland niet begrijpen wat democratie is dan moet men niet verbaasd zijn dat er een vertrouwenscrisis ontstaat.

Het thema van het “partijenkartel” is opgepakt door Thierry Baudet en zijn Forum voor [eigenlijk tegen] Democratie, maar, Baudet heeft blijkbaar geen studie van democratie gemaakt, en praat bovenstaande heren na – zie hier.

Over de doden niets dan goeds, maar, wanneer de redactie van VN bij het overlijden van Gerard van Westerloo stelt “Wie zijn grote reportages (…) las, begreep waar het om draaide in de journalistiek: echte verhalen over echte mensen, prachtig geschreven op basis van uitputtend onderzoek”, dan past de kritiek dat ook Van Westerloo in gebreke was bij dit onderzoek naar de stand van democratie. Het is opmerkelijk dat hij niemand heeft gevonden die Daudt tegenspreekt, maar hoe heeft hij gezocht ? Joop van den Berg verdedigt die partitocratie nog wel een beetje, in een combinatie van enerzijds anderzijds. Van Westerloo registreert het maar graaft niet door.

In zijn afscheidscollege in 2010 stelt Jacques Thomassen (geb. 1945):

“Maar, en dat is wat ik heb willen betogen, laten we niet al te gemakkelijk over een crisis van de democratie spreken. De problemen waarvoor we nu een oplossing proberen te vinden liggen in het verlengde van het democratiseringsproces zoals dat al in de negentiende eeuw is begonnen met als inzet een meer directe relatie tussen de wil van het volk en het overheidsbeleid. Dat is een moeizaam proces waarin het volk soms redeloos lijkt en de elite radeloos. Maar dat de democratie reddeloos zou zijn, lijkt mij voorlopig een onzinnige stelling. We hebben de onverbeterlijke neiging om de problemen waar we nu mee geconfronteerd worden geweldig uit te vergroten en het historisch perspectief te verliezen (…). Er is geen enkele periode in de geschiedenis aanwijsbaar waarin de democratie steviger verankerd was dan in de huidige.”

Toch is het ook weer verbazingwekkend dat ook weer Thomassen in de “regering-oppositie” tegenstelling denkt, d.w.z. het “meerderheidsdenken”, in plaats van te opteren voor afspiegelingscolleges waarin zoveel mogelijk partijen in de regerings-verantwoordelijkheid delen, maar waarin het parlement wel controleert:

“Maar het zou al helpen wanneer kabinetsformaties bij voorkeur ‘over rechts’ dan wel ‘over links’ zouden plaatsvinden en vooral niet ‘door het midden’. Want juist die klontering van de gevestigde politieke partijen leidt tot een karteldemocratie met alle gevolgen van dien.”

Tom van der Meer, Niet de kiezer is gek, 2017

Gelukkig in 2017 is er Tom van der Meer (geb. 1980), Niet de kiezer is gek (artikel, boek, video). De omslag van het boek stelt:

“Politicoloog en publicist Tom van der Meer dient in Niet de kiezer is gek David van Reybrouck, Thierry Baudet, Maarten van Rossem, Sybrand Buma, Edith Schippers, Bernard Wientjens, Alexander Pechtold en vele anderen van repliek.
Hij breekt een lans voor de kiezer die steeds maar weer ten onrechte de schuld krijgt van het gebrek aan vertrouwen in de politiek en van wispelturig stemgedrag. Ronduit zorgelijk noemt hij het dat politici en media massaal de vlucht naar voren zoeken in maatregelen die de democratie zouden moeten redden maar feitelijk ondergraven, en bestuurlijk niets oplossen. Kiesdrempels, fusies van partijen, referenda en burgerfora; het zijn contraproductieve medicijnen voor een verkeerd begrepen kwaal.
Het zijn de politici zelf die zich een spiegel moeten voorhouden. Er is geen crisis van de democratie, er is een crisis van de gevestigde partijen. Zij zitten op een doodlopend spoor, maar blijken niet bij machte bij te sturen.”

Van der Meer herinnert er ook fijntjes aan dat nieuwe partijen snel toegang kunnen krijgen tot het regeringspluche – D66 in 1973, LPF in 2002 en PVV 2010. Volhouden is wat anders.

Addendum 2018-10-14: Ik heb dit boek van Van der Meer nu gelezen en het blijkt dat bovenstaande omslagtekst onjuist is. Van der Meer beveelt het referendum juist aan als sluitstuk op de vertegenwoordigende democratie. Het is bizar hoe zo’n omslagtekst kan verschillen van de inhoud van het boek. Zie mijn boek “Democratie met en door Wetenschap” (pdf online).

Conclusie

De lezer doet er goed aan mijn Advies aan de Staatscommissie parlementair stelsel (commissie Remkes) te bekijken.

Het is schrikken van de grote negatieve invloed op het politiek proces in Nederland door het wetenschappelijk falen door ook Hans Daudt. Deze terugblik hier helpt vooral om beter zicht te krijgen op zowel dat falen als het belang van de correctie daarop. Voor de politiek: Nogmaals een periode met meerderheidsdenken en stembusakkoorden, laten we daar niet aan denken. Laat Rutte met zijn huidige meerderheidscoalitie plaatsmaken voor een afspiegelingskabinet. Voor de wetenschap: Er dient het nodige te veranderen wil de “political science on electoral systems” echt wetenschappelijk worden. Nederland heeft een comparatief voordeel door zijn stelsel van evenredige vertegenwoordiging, en onze wetenschappers hebben dat in hun publicaties nog onvoldoende benut.

Geplaatst in Democratie | Tags: , , , , , , , ,

Jan Pronk’s linkse gezindheid (Koos Vorrink lezing)

Jan Pronk (1940, dus rond 77 jaar) mocht op 1 mei 2017 de Koos Vorrink lezing houden, zie diens tekst alhier.

Pronk was minister voor ontwikkelingssamenwerking in de kabinetten Den Uyl, Lubbers 3 en Kok 1 en minister voor VROM in Kok 2. Daarvoor en tussendoor nog kamerlid en werkzaam voor de VN.

Ik heb aan Pronk drie actieve herinneringen. Ik was eens congresafgevaardigde voor de afdeling Scheveningen van de PvdA, media jaren ’80, en Pronk sprak het congres toe over de doelstellingen van de internationale sociaaldemocratie voor een betere wereld, en kreeg een daverend applaus. Ik klapte mee natuurlijk. Vervolgens was er een symposium na het overlijden van Tinbergen waar Pronk sprak. Vervolgens was er, ergens in 1998-2002, een vergadering van een commissie van de Tweede Kamer over het milieubeleid, en vanaf de publieke tribune kon ik constateren dat minister Pronk van VROM het uitstekend deed.

In 2013 stapte Pronk uit de PvdA. De goegemeente zal hem wel tot de mastodonten van de sociaaldemocratie rekenen, die nu dan door de woestijn dwaalt. Mijn indruk is dat Pronk beter verdient, maar laat ik eerst naar bovenstaande lezing kijken.

Vier overwegingen

Pronk’s lezing begint met vier overwegingen waarom hij voor de sociaaldemocratie koos:  (1) ethische uitgangspunten en de Doorbraak, (2) de economische wetenschap en de inspiratie door Jan Tinbergen, (3) een tweede doorbraak, namelijk het afscheid van Marxistisch denken in termen van klassenstrijd en derhalve het accepteren van een veelgeschakeerde samenleving, (4) de internationale oriëntatie.  Voor de jonge Pronk leidde de keuze voor de sociaaldemocratie ook tot de keuze voor de PvdA, maar in 2013 lag dat anders.

Van Drees naar Schuivende Panelen naar Paars

Pronk’s lezing beschrijft dan de politieke jaren 1960-1986. Wanneer het Tweede Kabinet Den Uyl er niet komt gaat de PvdA zelf in de woestijn dwalen, de neoliberalisering zet door, Den Uyl draagt de voorzittershamer aan Wim Kok over, en de commissie Pronk schrijft het rapport Schuivende Panelen. Dezelfde jaren staan ook in het recente boek Zeventig jaar zoeken naar het compromis over de parlementaire geschiedenis 1946-2016 – althans, ik heb alleen het tv-interview over dat boek gezien.

Pronk neemt Kok in bescherming, die met het “loslaten van de ideologische veren” blijkbaar wat anders bedoelde dan de media ervan gemaakt hebben.

Hier ontstaat een punt van kritiek: Pronk stelt niet helder dat die neoliberalisering werd gedragen door de wetenschap. Het vulgair keynesiaans denken had tot stagflatie geleid – een combinatie van werkloosheid en inflatie en gangbaar stagnatie van investeringen en groei van de productie. Economen keerden daarom terug naar het marktdenken. Pronk verwijst naar globalisering als oorzaak maar ook dat is slechts een gevolg.

Kernpunt is dat de sociaaldemocratie geen goed antwoord had op een wetenschappelijke visie die tegen de eigen idealen inging. De “derde weg” van Wim Kok was een voortzetting van de loonmatiging, waardoor Nederland de eigen werkloosheid naar het buitenland exporteerde, en met de opbrengsten van het aardgas konden nog sociale voorzieningen in stand worden gehouden. Maar inspirerend was het niet.

Paars

Pronk erkent dat bestuurders blind kunnen zijn:

“Binnen de paarse coalitie waren we in staat de kiezers duidelijk te maken waar wij de grenzen trokken. Maar ik sluit niet uit dat we onvoldoende inzagen dat we meewerkten aan het geleidelijk verder opschuiven van die grenzen. Wie midden in het machtscentrum zit waar politieke gevechten worden gevoerd, gewonnen en verloren, waar beleid wordt geformuleerd en compromissen worden gesloten, kan wel eens het zicht verliezen op de effecten van dat beleid voor de mensen aan de onderkant van de samenleving, zelfs als men er oprecht naar streeft die onderkant niet uit het oog te verliezen en de mensen niet los te laten.”

Mijn kritiek is dat dit zicht structureel is verloren, en niet “wel eens”. Zie de drie fouten van Wim Duisenberg reeds tijdens het kabinet Den Uyl. Pronk noemt de “strijd om de Melkert banen”, maar noemt dan niet dat politicoloog en PvdA-kamerlid Ad Melkert juist geen vragen stelde over de censuur van de wetenschap sinds 1990 door de directie van het Centraal Planbureau.

Pronk:

“Voor overmatige zelfrechtvaardiging is geen reden. Het [is] een feit dat rond de eeuwwisseling alle economische indicatoren er goed voor stonden: een evenwichtige begroting, een sterke munt, financiële stabiliteit, bijna volledige werkgelegenheid, een zich zelf in stand houdende economische groei. Nederland werd daarvoor door buitenlandse waarnemers geprezen.”

Ja, het blijft verbazen hoe stevig die oogkleppen waren. Dit zgn. Nederlands succes werd dus gekocht met de politiek van de loonmatiging en export van werkloosheid. Nu Duitsland het ook doet wordt duidelijk dat Zuid Europa wordt weggeconcurreerd (zie hier). Bij Bretton Woods legde Keynes nog luid en duidelijk uit dat overschotlanden ook een verantwoordelijkheid hebben.

“Bovendien had het publiek zich ronduit optimistisch getoond over de invoering van de Euro, die in ons land met meer enthousiasme werd verwelkomd dan elders.”

Maar Pronk heeft dan blijkbaar niet gehoord over eenzijdige voorlichting over de euro … Deze 70 economen kwamen natuurlijk nogal laat, in 1997. Ik zou het ook niet zo verwoorden zoals zij het doen, maar mijn advies in 1990 op het Centraal Planbureau tot een parlementaire enquête was op tijd en adequaat.

“Maar plots veranderde het beeld. Dat hadden we moeten voorzien. Het was een politieke fout dat we de groeiende ontevredenheid niet zagen aankomen. Die overspoelde ons als een golf, weliswaar aangewakkerd door een wind die woei buiten de sfeer van de traditionele politieke partijen – Pim Fortuin en groeperingen die kozen voor ‘Leefbaarheid’ als eerste prioriteit – , maar dat veranderde niets aan het feit dat veel burgers inderdaad ontevreden waren.

Dat lijkt me incorrect. Bolkestein was al tijdens Paars begonnen om het orgel van de ontevredenheid te bespelen. Hoe kun je denken dat mensen met een “Melkert baan” tevreden zouden moeten zijn terwijl het geen echte baan is ? Ik wil Pronk best geloven dat hij het niet zag aankomen maar het toont ook verblinding.

In 1993 was Jan Nagel (1939) bijv. uit de PvdA gestapt en begon Leefbaar Hilversum. Ikzelf was in 1991 uit de PvdA gestapt. Wanneer Nagel en Pronk daar nu eens van geschrokken waren, en hadden onderzocht wat er aan de hand was …. Met een mentaliteit van “we praten niet meer met mensen die uit de partij stappen” maak je het jezelf nogal erg gemakkelijk om tot verblinding te geraken. Ook die “Rode Hoed groep” uit 1991 kwam daardoor niet verder. Zie mijn bespreking Soms loopt het zo.

Niemands land 2009

Pronk:

“Ik moet u bekennen dat ik nogal ben geschrokken van de analyse die Marcel van Dam in zijn boek Niemands land (2007) [dit moet 2009 zijn], waarin hij een schets gaf van het beleid en de effecten in de jaren negentig.”

“Misschien was een combinatie van luid verzet van middengroepen en stil verzet van mensen uit de ‘onrendabele’ onderklasse verantwoordelijk voor de ongekende nederlaag van de PvdA in 2002: een halvering van de fractie in de Tweede Kamer.”

Marcel van Dam (1938) is een andere PvdA-verlater, nu in 2003. Van Dam is socioloog en uitvinder van de “exit poll”. Diens Niemands  land is ook een apologie van de verblinding. De samenvatting stelt (met andere kleur voor citaten anders dan van Pronk): “Hoe is het mogelijk dat een ervaren oud-politicus (ex-minister en ex-parlementariër), iemand die al bijna twintig jaar lang wekelijks een column in de Volkskrant schrijft over Nederland, nota bene een socioloog, niet in de gaten heeft gehad dat ons land aan het begin van de jaren tachtig ideologisch radicaal begon te veranderen?”

Van Dam is dus geen econooom, en mijn deconstructie van diens boek staat, eerst in mijn concept-boek Iedereen Blij (2010), en vervolgens bewerkt in Democratie & Staathuishoudkunde (D&S) (2012). De burger die overzicht en analyse van de situatie wil, kan het beste D&S gaan lezen.

In 2006 stemt Van Dam op de SP. In dit interview uit 2009 met Jan Marijnissen (zie mijn protest tegen Hoe dan, Jan?) verwijst Marcel van Dam naar het Belastingplan voor de 21e Eeuw van Gerrit Zalm (VVD) en Willem Vermeend (PvdA), maar helaas verwijst Van Dam niet naar de leugen van Zalm en Vermeend.

Van Dam zegt tegen Marijnissen: “Ik heb er twee en een half jaar aan besteed om het allemaal te onderzoeken. Gewone mensen doen dat niet. Als ik vertel dat mensen met een minimuminkomen nu minder koopkracht hebben dan in 1980, dan gelooft niemand je. Ook politici niet.” Nou, misschien doen gewone mensen dat niet, maar economen wel, hoor. En bij dat onderzoek heeft Van Dam dan geen gebruik gemaakt van internet, want dan had hij mijn website wel kunnen vinden.

Van Dam: “De technocratie heeft het pleit gewonnen. Bezieling is vervangen door pragmatisme. Het neoliberalisme heeft diep ingegrepen, juist ook bij de PvdA. Kijk naar hoe er politiek bedreven wordt: het geloof is weg. Er is geen geloof meer in een betere toekomst. Dat is vervangen door de toekomst die berekend wordt door het Centraal Planbureau. Onze toekomst wordt nog slechts ‘uitgerekend’. Men denkt zelfs de toekomst over honderd jaar uit te kunnen rekenen. De bezuinigingen die nu moeten worden doorgevoerd worden gemotiveerd met een verwijzing naar de verre toekomst. Het is de hoogmoed van de Toren van Babel.” Ook Van Dam begrijpt niet dat het neoliberalisme weliswaar gezien kan worden als een politieke stroming, maar dat het erom gaat dat de economische wetenschap geen alternatief had voor meer nadruk op het marktdenken, zodat ook PvdA-economen zulk beleid moesten erkennen. Echter, mijn analyse is een amendement daarop, en geeft dus wetenschappelijk dus weer een ander perspectief. Maar dan moet je wel respect voor wetenschap hebben. Wanneer Van Dam naar het CPB verwijst, dan had hij toch ook wel mijn boek Trias Politica & Centraal Planbureau (1994) hebben kunnen vinden, maar dat deed hij ook niet, ondanks zijn 2 + 1/2 jaar zoeken. Maar ja, Van Dam zal mij als medewerker van het CPB dan wel zien als “technocraat”, en zal het vast fijn vinden dat mijn werk gecensureerd is omdat het werk van zulke “technocraten” toch niet zal deugen. Van Dam schept zo zijn eigen monster en alleen omdat hij geen respect heeft voor wetenschap.

Het gaat hier natuurlijk om de lezing van Jan Pronk, maar het punt is wel dat Pronk niet bovenstaand antwoord aan Van Dam heeft.

De mastodonten die de PvdA verlaten zoeken ieder hun eigen woestijn op.

Wie is wie kwijtgeraakt?

Pronk:

“Die teruggang is niet uniek voor Nederland. Ook in andere Europese landen is de sociaal democratie verzwakt. Bij de recente Presidentsverkiezingen in Frankrijk spelen de socialisten geen rol. In Engeland is Labour gemarginaliseerd. In Zuid-Europese landen en in Scandinavië staan traditionele sociaaldemocratische politieke partijen buiten spel. Alleen in Duitsland is er hoop. Maar het algemene beeld is gekanteld. Er zijn specifieke redenen waarom de PvdA in Nederland momenteel tot irrelevantie lijkt gedoemd, maar er moeten ook structurele factoren zijn van een meer algemene gelding.”

Hier wordt het bovenstaande onderwerp opnieuw behandeld in andere woorden. Wat eerst voor Nederland gold blijkt internationaal te gelden, maar dit mag ons weer niet verbazen, omdat we reeds de diagnose hebben gesteld dat het onderliggende proces uit de economische wetenschap bestaat.

Pronk komt tot de conclusie dat er een nieuwe Marx ontbreekt, en hij lijkt daarmee Marx als ideoloog te bedoelen, van wie hij eerder afstand nam.

“In deze [neoliberale] euforie werden tegengeluiden vanuit de socialistische of sociaaldemocratische beweging node gemist. Het ontbrak de beweging aan een visie die was gebaseerd op systeemkritiek.”

Dit is dubieus. Ex cathedra plaatst hij mij buiten “de beweging” terwijl ik toch lid van de PvdA was in 1975-1991 en mij zelfs kandidaat stelde voor het voorzitterschap. Wederom ziet Pronk de rol van de wetenschap niet. Het is de taak van de economische wetenschap om, na het neoliberale antwoord op het vulgair keynesianism, voort te bouwen en nog betere wetenschap te vinden. De wetenschap gaat over de informatie. De politiek gaat over de doelen. Wie dat onderscheid niet maakt komt tot verwarde analyses.

Voor mijzelf is het wel een punt van observatie dat ik op het CPB tot een nieuwe neoclassieke synthese kwam, terwijl mij onbekend is of er ook collegae in het buitenland zijn die tot iets soortgelijks zijn gekomen. Wellicht is er elders ook censuur, of, steunt mijn synthese juist op de bijzonder historie van het CPB, waarin Jan Tinbergen vanaf het begin de wetenschappelijke basis heeft benadrukt. Bijv. bij de tegenhanger in de USA, de Council of Economic Advisors, maakt de voorzitter van de CEA deel uit van het kabinet van de President, en heeft daardoor nog altijd een veel politiekere rol. Zie dit memo in de Newsletter van de Royal Economic Society (RES).

Vervreemding en uitbuiting

Pronk doet dan enkele suggesties voor zo’n nieuwe Marx, maar voorzover ik kan zien komt hij niet verder dan het bekende rijtje van vervreemding en uitbuiting, waarover ook die Schuivende Panelen het al hadden en waarop ook Marijnissen de trom slaat. We lezen hoe mensen buiten het wereldsysteem van het kapitalisme worden gedreven en anderen weer daarbinnen, en beide keren is het onrecht.

Politieke bureaucratie

Pronk realiseert zich dat hij op die manier niet verder komt, en concludeert dan:

“De beweging van de sociaaldemocratie werd een institutie, een bureaucratie. Een beweging mobiliseert. Instituties plegen te managen en bureaucratieën geven geen thuis.”

“De socialistische internationale is een zachte dood gestorven. De Europese sociaaldemocratie maakt geen vuist, uit vrees voor het electoraat.”

Mij is onduidelijk hoe dit zich verhoudt tot de technocratie waar Van Dam op afgaf. Maar misschien is dit hetzelfde, wanneer we uitgaan van een politiek-bureaucratisch complex.

Misschien heeft Pronk ook wel Wouter Bos in gedachten, die blijkbaar soms niet meer wist waarom hij het deed.

Toch aarzel ik bij het al te gemakkelijk afdoen van “bureaucratie”. Een degelijke overheid is ermee gediend dat de ambtenaren zich aan de regels houden. Ook een politieke partij is ermee gediend dat er interne regels zijn. Een goede regel zou zijn om wanneer iemand het lidmaatschap opzegt tenminste een fatsoenlijk exit-gesprek te voeren in plaats van de afvallige te verketteren of juist dood te zwijgen. Dus de term “bureaucratie” zegt relatief weinig, en je kunt beter aangeven waar een bureaucratie faalt.

Griekenland en de euro

Pronk geeft kritiek op moleculair bioloog en PvdA financieel woordvoerder Ronald Plasterk.

“Toen de Griekse Minister-President Papandreou (overigens zelf socialist) het plan opvatte om de vanuit Europa opgedrongen bezuinigingen voor te leggen aan een referendum, en de financiële markten op hol sloegen, reageerde Ronald Plasterk als door een wesp gestoken: “Zijn ze nou helemaal belatafeld”. Daarmee bedoelde Plasterk niet de financiële markten, maar een wettig gekozen politicus die een democratisch instrument wilde hanteren, dat tal van andere Europese lidstaten zelf regelmatig toepassen, maar Papandreou werd ontzegd. Waarom? Omdat democratie niet in de kraam te pas kwam van het financiële kapitaal? Daar leek het wel op. Papandreou moest het veld ruimen en een half jaar later werden met premier Samaras, die nauwe banden had met financiële instellingen, wel zaken gedaan. En daarna werd een volgende premier, Tsipras, een beleid opgedrongen en met economische middelen afgedwongen dat haaks stond op de uitkomst van het referendum dat hij wel had weten door te zetten.”

Dit is te kort door de bocht en is niet helder t.a.v. het gebrek aan internationale sociaaldemocratische solidariteit.

(1) Griekenland had zich reeds via normale verkiezingen aan de EMU verbonden, en je moet niet doen alsof een referendum die afspraken ongedaan kan maken.

(2) Er kan veel gezegd worden over het politieke spel hieromheen. Papandreou wilde zich wel inzetten voor zulke bezuinigingen, dus voor hem ging het referendum klaarblijkelijk om het winnen van grotere rust in plaats van het doorschuiven van de hete aardappel. Maar het blijft een onverantwoord middel, met ook de mogelijkheid dat Papandreou toch weer tegen de Eurozone zou zeggen dat de bevolking het niet wilde.

(3) Het zijn Papandreou’s Griekse partijgenoten die hem aan de kant hebben geschoven. Wellicht is niet de international sociaaldemocratische solidariteit maar juist de interne Griekse sociaaldemocratische solidariteit van belang.

(4) De juiste kritiek op Plasterk betreft niet het referendum maar inderdaad het gebrek aan solidariteit met de werklozen in Zuid Europa. Waar is de kritiek van Plasterk op het Nederlandse loonmatigingsbeleid ? Zie mijn protest: hier en hier.

Pronk:

“Ik heb van de kant van sociaaldemocratische politici in Europa geen afwijkend geluid gehoord. Integendeel. De sociaaldemocraat Dijsselbloem, in zijn functie als voorzitter van de Eurogroep, dwong Griekenland tot een aanpassings-, bezuinigings- en privatiseringsbeleid dat sociaaldemocraten twintig jaar geleden, toen het IMF een dergelijk beleid wilden opleggen aan ontwikkelingslanden, altijd hadden bestreden. De Griekse minister van Financiën, Varoufakis, door collega economen alom gerespecteerd, doch partijpolitiek links gepositioneerd ten opzichte van de sociaaldemocratie, kreeg geen gehoor. Hij ruimde het veld.”

Ook weer iets genuanceerder:

(1) Pronk geeft niet aan waarom het beleid van Dijsselbloem niet deugde. Zolang de economische wetenschap het neoliberalisme omarmt, kan Dijsselbloem relatief weinig anders, behalve dan, dat Dijsselbloem als minister medeverantwoordelijk is voor de censuur van de wetenschap sinds 1990 door de directie van het CPB.  Zie hier voor beoordeling van de rol van Dijsselbloem.

(2) Wellicht is Varoufakis alom gerespecteerd maar ik acht hem een malloot. Hij is een speltheoreticus en heeft niet de kennis die hier relevant is. Zelfs als politicus zou Pronk toch moeten zien dat de opstelling van Varoufakis contraproductief was.  Zie mijn bespreking van deze episode.

Pronk’s vertrek uit de PvdA

Pronk nam in 2002 (62 jaar oud) afscheid van de nationale politiek. Hij constateert dat de PvdA na 2002 – dus niet langer onder zijn eigen mede-verantwoordelijkheid – niet meer “streed” voor haar idealen maar meewoei met de neoliberale wind. In feite is dit niet anders dan tijdens Paars, maar bij de opkomst en moord op Fortuyn ontstond er scherpe cultuurkritiek, waar de PvdA geen weerwerk gaf.

De redenen voor Pronk’s vertrek in 2013:

“Wanneer die beginselen niet alleen worden verwaarloosd, maar willens en wetens terzijde worden geschoven en opzettelijk worden verloochend, is de partij geen thuishaven meer voor voorvechters van die beginselen. Toen de PvdA beginselen van internationale solidariteit afschafte, door eenzijdig te korten op hulp aan andere landen, en door asielzoekers die niet naar hun land van herkomst terug durfden gaan, maar een illegaal verblijf in Nederland verkozen boven vervolging in eigen land, als criminelen te bestempelen, was voor mij het moment gekomen te vertrekken. Ik was en bleef sociaaldemocraat, maar kon de PvdA niet meer zien als mijn sociaaldemocratisch huis. “

Pronk constateert dat zijn vier overwegingen voor de keuze voor de sociaaldemocratie in stand blijven. Dat lijkt me te billijken.

Ikzelf heb ervoor gekozen mij na het vertrek uit de PvdA “sociaal liberaal” te noemen. Een afscheid maakt het mogelijk om e.e.a. nog eens te overdenken. Mij stond het geflirt met de wetenschap in het zogenoemde “wetenschappelijk socialisme” toch tegen, waar Marx zwak was in wiskunde en Michio Morishima weliswaar een interpretatie van aspecten kon geven in termen van de Von Neumann technologie: maar dan ligt de relevantie toch bij Von Neumann en niet bij wat in oude teksten kan worden gevonden wanneer je maar selectief gaat winkelen. De oude Drees sr. schreef een interessant boek over zijn studie aan Marx, geredigeerd door Bart Tromp, maar het is vooral historisch interessant.

Pronk verwijst naar een bundel Haalt de PvdA 2025? (2017) onder redactie door Bram Peper (1940) – nog steeds lid van de PvdA, en nog steeds geen gebruik van internet makend om mijn kritiek te bestuderen. Pronk is skeptisch t.a.v. de perspectieven:

“De huidige leiding van de partij bestaat uit dezelfde personen die de afgelopen jaren verantwoordelijk waren voor het gevoerde beleid. Zij hebben geen teken gegeven het roer te willen omzetten. En niets wijst op een nieuwe omwenteling van binnen uit, zoals destijds onder invloed van Nieuw Links. Een jonge generatie komt er niet aan. Die voelt zich, voor zover zij partijpolitiek is geïnteresseerd, meer door andere partijen aangetrokken.”

Pronk had al kritiek op de politieke-bureaucratie maar voegt daar dus kritiek op de leiding toe. Mijn indruk is dat de kritiek scherper kan luiden. Lodewijk Asscher maakte de fout in 2012 door de VVD-PvdA coalitie niet te bekritiseren, die op gespannen voet met de verkiezingscampagnes stond. Vervolgens heeft hij eerst vier jaar lang het VVD-PvdA beleid verdedigd, maar pas bij de verkiezingen in 2017 kwam de kritiek op Samsom, maar zonder zelfkritiek voor die vier jaar. Vervolgens, juist die kiezers die juist wel begrip voor de VVD-PvdA coalitie hadden en die nog wel PvdA stemden, die krijgen nu een tik op hun vingers doordat Asscher voor de oppositie kiest. Wie zorgvuldig naar het track-record van de jurist Asscher kijkt kan zich slechts verbazen.

Linkse samenwerking

Pronk ziet de PvdA dus verdwijnen, en opmerkelijk genoeg verwacht hij dan een oplossing in een linkse samenwerking – met daarin dan ook die verdwijnende PvdA.

“Belangrijker dan de vraag of de PvdA nog een toekomst heeft als een sociaaldemocratische beweging, is de vraag of er nog een toekomst is voor links. U zult zich misschien afvragen: links, wat is dat vandaag de dag? Is het nog wel zinvol een onderscheid te maken tussen links en rechts? Is de samenleving niet zo veelkleurig en zo ingewikkeld geworden dat zij niet in een links-rechts schema kan worden gemodelleerd? Dat moge waar zijn in sociologisch opzicht, en misschien ook in partijpolitieke zin, maar niet in politieke zin, en dat is iets anders. Ik vrees dat de ontkenning van een links-rechts tegenstelling politiek rechts in de kaart speelt. Met politiek rechts bedoel ik al diegenen die niet links willen zijn. Dat lijkt een tautologie, maar ik zou een linkse wereldbeschouwing of een linkse gezindheid willen omschrijven als een keuze voor [zie Pronk’s opsomming]”

Pronk geeft een nummering, waardoor het wellicht heel wat lijkt, maar zonder nummering zijn het deze begrippen: democratie, rechtsstaat, vrijheid genormeerd door verantwoordelijkheid, sociaal (…), multicultureel (…), kosmopolitisch (…), duurzaam (…), groen (…), solidair (….), publiek (…).

Pronk stelt dat een afwijking hiervan als rechts kan worden gezien. Wie bijv. het kosmopolitische afwijst wordt een nationaal-sociaaldemocraat, en wie ook het multiculturele afwijst wellicht een nationaal-socialist. Deze begrippenlijst past een beetje bij de oude PvdA maar misschien zou deze ook passen bij D66 of GroenLinks of grotendeels zelfs VVD en Christen-Unie en CDA, want het zijn maar begrippen en geen uitgewerkte programmapunten. Mijns inziens zijn er meer dimensies en niet alleen zo’n schaal van links naar rechts. Het is ook complex: multiculturalisme veronderstelt dat je andere culturen respecteert, maar ook als een onderdeel daarvan is dat vrouwen onderdrukt worden ?

Pronk denkt derhalve nog in termen van links-rechts, terwijl mijn neiging is afspiegelingskabinetten voor te stellen, waarin zoveel mogelijk partijen zitten behalve wie extreem of incompetent is.

Pronk:

“Het zwaartepunt binnen het electoraat ligt nu bij rechts plus een beetje centrum. Dat is niet meer een politieke slingerbeweging, zoals in de afgelopen decennia. Het is een structurele verschuiving in de politieke verhoudingen, in ons land en ook daarbuiten. Dat betekent dat het zwaartepunt van de macht in regeringscoalities met een bredere samenstelling zal liggen bij rechts. (…) Het is altijd regeringsdeelname op rechtse voorwaarden. Tenzij links zich tot een machtsfactor weet te ontwikkelen. Dat kan, wanneer de linkse partijen zich niet meer laten lenen voor een verdeel en heers tactiek van rechts, maar gezamenlijk macht vormen tegen rechts (en centrumrechts), en wel op een zodanige manier dat het perspectief op een dergelijke progressieve machtsvorming mensen mobiliseert. “

Pronk is gevangen in de programakkoorden van de meerderheidscoalities en ziet blijkbaar niet de mogelijkheid van afspiegelingskabinetten, met inclusief denken. Hij gaat uit van een wij-zij denken, met de goeden die dan links zijn en de slechterikken die dan rechts zijn. De meerderheid mag de stemmen van de anderen negeren, want de tegenpartij ziet het verkeerd. Dit denken polariseert en schept zijn eigen tegenwerking.

Voor de gemeenteraden bestaat er de term “afspiegelingscollege“. Opmerkelijk is dat wikipedia geen link heeft voor “afspiegelingskabinet”. We vinden de term wel bij “anw.nl” maar daar wordt het gelijk gesteld aan “zakenkabinet” terwijl dat laatste toch echt wat anders is. Een zakenkabinet wekt de schijn niet-politiek te zijn, maar is dat natuurlijk wel, want verantwoording afleggen is een politiek proces. Derhalve is de term “zakenkabinet” een term voor demagogen, zie bijv. dat Thierry Baudet deze term gebruikt.

Inspireren

Pronk

“Er zijn nog steeds veel burgers met wat ik hierboven omschreef als een linkse gezindheid. Om hen te mobiliseren zal een aansprekend en hoopgevend alternatief moeten worden geboden: een groot verhaal, gebaseerd op waarden als democratie, mensenrechten, sociale gelijkheid, solidariteit, vrede en een duurzame toekomst. Maar dat verhaal zal mensen niet louter kunnen mobiliseren omdat het er mooi uitziet op papier. Het gaat niet alleen om de inhoud van een verhaal, maar ook om de vraag of het een perspectief biedt op machtsvorming. Alleen een combinatie van die twee mobiliseert: progressieve programmatische verbinding en gezamenlijke progressieve machtsvorming. Alleen dan kan ook in termen van macht een reëel tegenwicht worden geboden aan populistisch rechts.”

Ik volg dit niet:

(1) De definitie hierboven over het verschil tussen links en rechts laat het open dat bijv. zowel PvdA als VVD links zijn, behalve misschien t.a.v. gradaties van multiculturaliteit, kosmopolitisme, solidariteit, en milieuduurzaamheid, die dan eerder uit programmaverschillen blijken. Zulke verschillen over de partijen zijn zo divers dat er niet langer sprake is van een enkele schaal links-rechts.

(2) Iedere kiezer wordt geïnspireerd door de eigen partij. Iedere partij heeft zijn eigen grote verhaal. Er is nergens blokvorming voor nodig. Wel is het wenselijk dat er inclusief denken ontstaat, zodat iedere partij het perspectief heeft op invloed op het beleid.

(3) Wat is er gebeurd met de impotentie van de PvdA en het verval tot bureaucratie, waardoor de PvdA niet meer het geschikte vehikel voor de sociaaldemocratie is geworden ? Is dit plotseling opgelost door deze linkse samenwerking ?

(4) Ik zie in Pronk’s verhaal nog nergens het antwoord op het blote gegeven dat de economische wetenschap de neoliberal aanpak ondersteunt. Je kan zoveel linkse blokvorming hebben als je wilt, maar wanneer de wetenschap je uitlegt dat je programmavoorstellen niet werken, dan kun je er beter vanuitgaan dat ze niet werken, tenzij je wilt gaan experimenteren zoals in Venezuela.

Pronk:

“Alleen wanneer een dergelijk alternatief voor populistisch rechts wordt uitgedragen door de gezamenlijke linkse politieke partijen – PvdA, SP, Groen Links en D’66, en graag ook de Christen Unie, de Dierenpartij en Artikel 1 – zullen burgers een legitieme hoop kunnen koesteren dat het tij kan worden gekeerd. Dan zullen zij er op mogen vertrouwen dat linkse politieke leiders elkaar vasthouden, en dat niemand in de samenleving wordt losgelaten. Dan wordt het mogelijk dat het totale aantal stemmen van de gezamenlijke progressieve of linkse partijen niet verder daalt, maar stijgt omdat het vertrouwen stijgt, en met reden.”

Pronk’s criteria voor “links” blijken inderdaad zo flexibel dat hij blijkbaar genoemde partijen als “links” ziet. Maar:

(1) We hadden juist vastgesteld dat de PvdA niet meer links is, maar juist bureaucratisch. Gaan ze die bureaucratie opgeven ten gunste van die blokvorming, of, ontstaat er nu een dictatuur van het afgesproken blok, zoals Lodewijk Asscher reeds in 2012-2017 toonde welke fractiediscipline hij kan eisen – en dan als dankbaarheid het mes in de rug kan steken zoals bij Samsom ?

(2) D66 is juist een zeer neoliberale partij en derhalve, als ik Pronk’s klassieke sociaaldemocratische normen goed begrijpt, nauwelijk links te noemen. Ja, men staat voor de rechtsstaat, maar anderen ook. D66 is juist anti-democratisch, met hun kroonjuwelen van districtenstelsel, referenda en gekozen premier en burgemeester. Zie mijn boekje Laat D66 zich opheffen (2012).

(3) T.a.v. de SP is er het probleem van Hoe dan, Jan? en van het Boeien, binden, benutten. Hopelijk wil Pronk niet beweren dat de SP wel het antwoord op de neoliberale wind heeft gevonden waar de PvdA dan te dom voor was.

(4) GroenLinks ….. Ik heb hier geen onderbouwde deconstructie zoals t.a.v. eerder genoemde partijen. Laat ik die mening maar geven: Een combinatie van de getuigenis-politiek van de PPR en daaronder de geharde kaders van de CPN, en die mooie slogans over het milieu als lokkertje gebruiken zonder effectief beleid tot stand te brengen, laat staan te bepleiten. De lezer kan er natuurlijk anders over denken en wel een onderbouwde analyse hebben.

Pronk:

“Maar het gaat in dit stadium om meer, om de rechtsstaat en om de democratie. Linkse samenwerking is niet meer alleen van belang voor ieder van de linkse partijen afzonderlijk, en ook niet alleen voor gezamenlijk links, maar voor Nederland als democratische rechtsstaat, als natie waarin niet wordt gediscrimineerd. Het gaat niet om tegenwicht en tegenmacht tegen rechtse en centrum rechtse partijen, die zelf ook democratisch zijn gelegitimeerd en zich aan de spelregels van de democratie houden, maar om tegenwicht en tegenmacht tegen ondemocratisch populistisch rechts.”

In de oude sociaaldemocratie ging het ook om de bestaansvoorwaarden, zoals werk tegen redelijk loon, zorg en onderwijs, en de oude dag. Pronk ziet het accent verschuiven, en klinkt dan bijna als D66, dat zich richt op rechtsstaat en (verkeerd begrepen) democratie. Het bizarre is dat juist D66 met de kroonjuwelen het populisme omarmt, en nadien ook het neoliberalisme.

Pronk begon met het neoliberalisme maar eindigt met het populisme als hoofdprobleem, waarbij dat populisme nauwelijks wordt onderzocht. Pronk’s antwoord op het populisme is karig: Een machtsblok van vermeend links, dat het ontstaan van het populisme niet onderzoekt, dat via D66 zelf ook populistische is, welk blok zelf polariseert en tegenwerking oproept, met het risico zo zelf aan de kant te komen staan.

Pronk’s samenvatting

Pronk geeft een samenvatting maar voegt daar ook iets nieuws aan toe, namelijk een verwijzing naar Vorrink, ter ere van wie hij mocht spreken.

“En een generatie leiders eerder was Koos Vorrink, onder de indruk van de totalitaire dreiging in de jaren dertig, tot de conclusie gekomen dat socialisme niet meer is dan democratie, maar dat democratie meer is dan socialisme, en dat daarom met gelijkgezinden moest worden samengewerkt. Dat geldt, opnieuw, vandaag.”

Dit is de Doorbraak waarvan reeds in 1950 sprake was.  Ik ben het met Pronk eens dat deze verwijzing naar 1950 geen teken van stagnatie maar van duurzaam inzicht is. Toch zijn er nog maar weinig socialisten, voor wie dit inzicht relevant is. We mogen aannemen dat Pronk bedoelt dat geen politieke gezindheid (ruimer dan socialisme) belangrijker is dan democratie, en dat democratische partijen derhalve moeten samenwerken. Maar, in dat geval, geldt dit voor een breed spectrum van partijen, ook de VVD en CDA bijvoorbeeld.

Niet overtuigd

Ik ben derhalve niet overtuigd door Pronk’s lezing. Waarom schrijf ik dit op ?

In het verleden was ik op een ander punt ook oneens met Pronk, en het lijkt me nuttig aan te geven welk ander punt dit was: de basisbehoeftenstrategie in de ontwikkelingssamenwerking, in het kader van het Brandt-rapport, zie hier. Jan Tinbergen zei aan de telefoon dat ik heel wel gelijk kon hebben. Inmiddels is veel veranderd maar mijn indruk is dat hier nog steeds vooruitgang kan worden gemaakt. Laat de regering deze inzichten meenemen. Een her-introductie van Tinbergen’s 0,7% lijkt achterhaald maar er kan een staalkaart van normeringen komen, met belastingen van de rijken, ook in de armere landen zelf, ten gunste van de armen, en vormgeving van internationale solidariteit. Zie mijn suggestie tot een wereldparlement.

Ten tweede gezien Pronk’s historische positie in de PvdA. Pronk zit nog gevangen in enkele oude dwalingen, en welicht kan beter inzicht bijdragen tot een betere geschiedschrijving – ook al is e.e.a. achteraf.

Ten derde om het belang van mijn advies aan de Staatscommissie parlementair stelsel te onderstrepen, zie de vorige tekst op dit weblog.

Geplaatst in Anatomie van Nederland, Democratie | Tags: , , , , , , ,

Advies aan de Staatscommissie parlementair stelsel (commissie Remkes)

De Staatscommisie parlementair stelsel (de commissie Remkes) is op 27 januari 2017 ingesteld, en heeft reeds een Probleemverkenning met zes Thema’s geschreven.

Hier is mijn advies aan de commissie.

PM. Zie ook mijn analyse over oorzaak en mogelijke oplossing voor Brexit, in het licht van dit advies. De Britten lijken te denken dat Brexit een succes is van hun betere parlementaire stelsel, met districtenstelsel en referenda zoals D66 voorstaat, maar het is eerder een product van het falen daarvan, en bewijs dat de Britten een inferieur stelsel hebben. Dat kan echter pas blijken wanneer de Britten eerst overgaan tot evenredige vertegenwoordiging zoals in Nederland, nieuwe verkiezingen houden, en vervolgens in het parlement nog eens naar Brexit of Bregret kijken. Zie een schets van hoe Conservatives en Labour zouden uiteenvallen in Leave en Remain subpartijen.

1200px-Stemmen2

 

Geplaatst in Anatomie van Nederland, Democratie | Tags: , , , , , , , , ,