Een bevestiging van vooringenomenheid, in strijd met empirische wetenschap

De Nederlandse taal maakt het onderscheid tussen Geesteswetenschappen en de Empirische Wetenschappen, en gebruikt de overkoepelende term “wetenschap”. In het Engels is er het onderscheid tussen de Humanities en Science, met als overkoepeling de academies of institutes of learning. Een taal of het taalgebruik schept perspectieven die nogal dwingend bepalen hoe je e.e.a. waarneemt en begrijpt. Terwijl het Engels “history is no science” meteen helder is, krijg je in het Nederlands de kronkel “geschiedenis is zowel empirisch als een wetenschap maar toch geen empirische wetenschap”.

De econometrie is bedoeld als de empirische zuil van de economische wetenschap die zelf ten dele ook geesteswetenschap is. (Zie hier voor het onderscheid tussen alfa, beta en gamma.) Wanneer een empirische wetenschap zelf nog onduidelijkheid ziet, kan dit leiden tot stromingen of zelfs perspectieven in de geesteswetenschappelijke zuil. In de economie heb je bijvoorbeeld de zoetwater economen (Chicago) versus zoutwater economen (Boston). In een opleiding economie dient aandacht gegeven te worden aan de diverse benaderingen. Een empiricus streeft naar uniform taalgebruik maar geesteswetenschappen hebben de neiging tot eigen jargon. Eventueel zou je zulke stromingen zelf ook weer perspectieven kunnen noemen, waarin hetzelfde bewijsmateriaal anders wordt geïnterpreteerd. Voor empirische economen blijft gelden dat onderscheidende experimenten bedacht moeten worden om tot uniforme definities en conclusies te komen. Bijvoorbeeld: een empirisch experiment dat ik voorstel t.a.v. de rol van de informatie in de economie is een parlementaire enquête naar de massale werkloosheid en de rol daarbij van de voorbereiding van het economisch beleid, en met name de rol van het Centraal Planbureau.

Met dit als voorwerk wil ik nu kijken de “political science on electoral systems”. De term “political science” is hier ongelukkig omdat dit onderdeel nog gevangen zit in perspectieven vanuit de geesteswetenschap, waarin het traditioneel denken dominant is en niet het empirisch denken. Mijn artikel One woman, one vote. Though not in the USA, UK and France (2018) (1W1V) toont dat de politicologie over kiesstelsels (political science on electoral systems) nog geen empirische wetenschap is, aldus de geesteswetenschappen nog niet is ontgroeid, en welbeschouwd vergelijkbaar is aan astrologie, alchemie of homeopathie.

1W1V kijkt met name naar Gelijke / Evenredige Vertegenwoordiging (GEV) versus het Districtenstelsel (DS). Het toont dat auteurs een vooroordeel en vooringenomenheid (bias) hebben ten faveure van het kiesstelsel dat in gebruik is in hun land van herkomst en ten nadele van het alternatieve stelsel. Het artikel 1W1V toont ook dat politicologen uit landen met GEV steeds meer neigen om de vooroordelen van DS over te nemen, wegens de dominantie van de USA en UK in de leidende (Angelsaksische) tijdschriften. Wanneer je niet meedoet aan het vooroordeel in de USA en UK dan heb je vermoedelijk minder kans om gepubliceerd te raken, en lijdt je loopbaan daaronder.

Zie 1W1V voor een stap voor stap uiteenrafelen van deze vooroordelen. Ik doe een beroep op het empirisch denken en de empirische wetenschap, want politicologen zijn erop getraind om hun vooroordelen juist niet te zien. Het bestaan van een vooroordeel laat zich natuurlijk maar moeilijk bewijzen. Het is derhalve een prettige verrassing dat ik onlangs op een nieuwe bevestiging voor het bestaan van dit vooroordeel (bias) zag. Dit is het onderwerp van dit weblog-artikel.

Een directe bevestiging van 1W1V

In 2015 ter gelegenheid van het 65-jarig bestaan van de Nederlandse Kring voor Wetenschap der Politiek (NKWP) trad de NKWP op als uitgever van Andeweg & Vis (eds) (2015). Daarin geeft Cees van der Eijk (2015) een blik vanuit het buitenland. Hij gaat dan in op de kloof tussen het denken in termen van GEV versus het denken in termen van DS.

Van der Eijk (2015:121):

“In 2004 heb ik de Universiteit van Amsterdam verruild voor de Unversity of Nottingham in Engeland. Nederlandse collega’s vragen mij met enige regelmaat in welke opzichten de politicologie en politicologenwereld in Engeland ‘anders’ is dan in Nederland en hoe ik dat ervaar.”

Van der Eijk (2015:122-123):

“Het grootste verschil echter tussen Engelse en Nederlandse politicologen zit in de onuitgesproken en als vanzelfsprekend ervaren verwachtingen en veronderstellingen over hoe politieke processen werken. Deze verwachtingen en veronderstellingen hebben hun wortels in het specifieke politieke stelsel waarin men is opgegroeid. Bijvoorbeeld: Nederlanders verwachten vaak en als vanzelfsprekend dat diepgaande meningsverschillen door compromis zullen worden opgelost, terwijl Engelsen als vanzelfsprekend verwachten dat een van de kampen ‘wint’ en de andere ‘verliest’. Ik heb zulke verschillen het sterkst ervaren toen ik met een oospronkelijk Briste collega (Mark Franklin) een leerboek schreef over Elections and Votes (Palgrave 2009). Elke alinea die in eerste instantie door een van ons was geschreven werd door de ander gekritiseerd als onrealistisch: ‘zo werkt politiek toch echt niet’. Elke keer bleek dat die meningsverschillen hun grond hadden in onze socialisatie in andersoortige politieke stelsels. De oplossing lag niet in tekstuele compromissen, en evenmin in het toegeven aan de ander, maar in het inweven als rode draad in het boek dat politieke processen worden beïnvloed door de socialisatie van de actoren. Zowel door deze samenwerking als door mijn nu ruim tienjarig verblijf in Engeland ben ik intellectueel verrijkt, en kan ik de Engelse politiek (evenals de Nederlandse) zowel vanuit het eigen perspectief zien en begrijpen als vanuit het perspectief dat aan de andere kant van de Noordzee gebruikt wordt, en kan ik dus ook begrijpen wanneer en waarom zij elkaar niet zonder meer ‘verstaan’. Anders gezegd: mijn verhuizing naar Engeland is, naar mijn eigen idee, goed uitgepakt, en ik heb er veel van geleerd dat ik nooit had kunnen leren als ik altijd in dezelfde omgeving was gebleven. Ik kan het iedereen daarom aanbevelen om voor kortere of langere tijd ‘elders’ te werken.”

Dit is een directe bevestiging van 1W1V dat er zulke vooroordelen bestaan. Laten we echter dieper graven.

Een indirecte bevestiging van 1W1V

Het is lofwaardig dat Van der Eijk (en denkelijk dan ook Franklin) zich bewust zijn geworden van deze ‘socialisatie’ (positief geformuleerd) van onderzoekers, en dit inzicht aan hun lezers en studenten doorgeven. Van der Eijk is echter nog niet scherp genoeg. Hij spreekt over “meningsverschillen” terwijl het in de empirische wetenschap om harde conclusies behoort te gaan. Het is toch ook echt iets anders om te stellen dat er andere “perspectieven” zijn versus het constateren dat bepaalde conclusies onhoudbaar zijn omdat die gebaseerd zijn op vooroordeel en vooringenomenheid.

Men kan zich natuurlijk voorstellen dat de kiezers in USA en UK hun kiesstelsel als democratisch ervaren, omdat ze zijn “gesocialiseerd” (geïndoctrineerd) om te denken dat dit nu eenmaal democratie is, en, dat wanneer de kiezers dit zo ervaren, de politici en politicologen dit dan maar als realiteit accepteren, en de processen dan ook in termen van “winnen versus verliezen” beschrijven. Voor politicoloog Van der Eijk heet dit een “perspectief”. Voor mij als empirisch wetenschapper klinkt dit echter alsof aderlaten ook maar een “perspectief” is. Van der Eijk vergoeilijkt aldus waar een empirisch wetenschapper alarm zou slaan.

Een empirisch wetenschapper constateert (zie 1W1V) dat de kiezers in de USA en UK verkeerde informatie krijgen over wat democratie is, en dat het de astrologen, alchemisten en homeopathen van de “political science on electoral systems” aldaar zijn die deze kiezers almaar deze onjuiste informatie blijven geven.

Met zijn verblijf in Engeland heeft Van der Eijk zich blijkbaar deels laten “socialiseren” (indoctrineren) door de misvattingen aldaar – en vermoedelijk omdat hij onvoldoende anker in empirisch onderzoek heeft. Immers, het verbaast dat hij jarenlang studie van hetzelfde onderwerp had gemaakt en toch nog niet had ontdekt welke bias er bestond en er alleen achterkwam via een directe confrontatie. Dit suggereert selectief lezen in plaats van onderzoek plegen.

Het zou een exercitie zijn om hun Elections and Votes (Palgrave 2009) te deconstrueren. Een goed voorstel lijkt me dat Van der Eijk & Franklin eerst 1W1V bestuderen en vervolgens een poging doen om hun eigen werk te deconstrueren, zodat zij zelf kunnen rapporteren hoe zij zichzelf en hun lezers en studenten verkeerde informatie zijn gaan geven.

Conclusies

Van der Eijk (2015) bevestigt dat er vooringenomenheid in de politicologie over kiesstelsels bestaat die in strijd is met de claim van empirische wetenschappelijkheid (“political science”).

Ten eerste constateert hij, en bevestigt hij zodoende, dat de herkomst vanuit landen met GEV of DS invloed heeft op de “socialisatie” van hun academici en hun blindheid t.a.v. het alternatieve stelsel.

Ten tweede ziet hij niet dat dit ten koste gaat van de empirische wetenschappelijkheid, omdat hij het voorstelt alsof het alleen zou gaan om “perspectieven” (een argument uit de geesteswetenschappen), terwijl een empirisch wetenschapper is getraind om door te redeneren dat door die “socialisatie” (indoctrinatie) wel degelijk de empirische wetenschappelijkheid ter discussie komt te staan.

Ten derde toont dit dat de vooringenomenheid van academici een crucialer probleem is dan de politieke cultuur in de onderscheiden landen. Kiezers in die landen worden verkeerd door hun academici en leraren voorgelicht. Het is een taak voor de empirische wetenschap om deze “political science on electoral systems” duidelijk te maken dat men nog geen werkelijke science is maar vergelijkbaar aan astrologie, alchemie en homeopathie. Ik verzoek natuurkundigen, biologen, psychometristen, etcetera, om te helpen. Het denken over democratie wordt bedreigd door wetenschappelijk wangedrag door politicologen.

Ten vierde werpt het de vraag op of het echt nodig is om te reizen om te ontdekken hoe een bepaald perspectief is. Je kunt de vooroordelen ook zien in wat men schrijft en doet. Wanneer je opleiding uit traditioneel denken in plaats van empirisch denken bestaat, dan neem je bij zo’n reis alleen je neiging mee om (nieuwe) oogkleppen te accepteren. Bijvoorbeeld voor historici en juristen kunnen we beter verlangen dat de opleidingen gaan zorgen voor een degelijke empirische basis, in plaats van dat de studenten meer moeten gaan reizen. In hun vooropleiding hebben zij gangbaar Wiskunde A met statistiek, en hierop kan worden voortgebouwd. Wiskunde is echter niet genoeg: je moet ook leren waarnemen.

Literatuur

Andeweg, R. & B. Vis (eds) (2015), “Politicologie in Nederland: Van Politisering naar professionalisering”, NKWP (wonderlijk genoeg niet online)

Colignatus, Th. (2018), “One woman, one vote. Though not in the USA, UK and France”, https://mpra.ub.uni-muenchen.de/84482

Eijk, C. van der (2015), “Blik vanuit het buitenland 2”, in Andeweg & Vis (2015), p121-123

Advertenties

Over Thomas Colignatus

Thomas Cool is an econometrician and teacher in mathematics in Scheveningen, Holland. He uses the name Colignatus is science to distinguish this from his other activitities in commerce or politics. His personal website is http://thomascool.eu
Dit bericht werd geplaatst in Anatomie van Nederland, Democratie, Methodologie, Rol van de wiskunde en getagged met , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.