Complimenten en kritiek voor Tom van der Meer

Hoogleraar politicologie Tom van der Meer publiceerde “Niet de kiezer is gek“, waarin hij zich verzet tegen feitenvrij speculeren en het oplaten van luchtbalonnen zonder naar de consequenties te kijken.

Hier staan boek en een bekijkenswaardige video, en hier is een interview door (historica) Floor Rusman (NRC 2017-01-12). In de video vertelt Van der Meer dat achterin het boek een uitvoerige literatuurlijst staat waarin men de feiten kan nagaan. Andere boekbesprekingen zijn er door Geerten Boogaart in PR&P, Hans Wansink in de Volkskrant, Marcel Hulspas in Sargasso.

Ik heb het boek nog niet gelezen en beperk me tot deze verwijzingen.

Van der Meer verdient een enorm compliment. Sinds 1966 met D66 is het denken over democratie verstoord met dwaalredeneringen over direct gekozen premier en burgemeester, referenda en districtenstelsel, en recentelijk weer ophoging van de kiesdrempel en het via loterij aanwijzen van bestuurders. Het is een verademing dat Van der Meer aan wetenschappelijk onderzoek vasthoudt, en zulke luchtfietserij ook de naam geeft die het verdient: luchtfietserij.

Er zijn ook een paar kritische opmerkingen.

Van der Meer kon en moest weten van mijn werk

Het lijkt erop dat Van der Meer niet verwijst naar mijn boeken “Voting theory for democracy” en (met Hans Hulst) “De ontketende kiezer“. Dat is natuurlijk heel jammer, want zo geeft hij zijn lezers maar een deel van de beschikbare informatie. Mijn analyse en zijn uitkomsten zijn toch zeer relevant, zie mijn brief aan het Presidium van de Tweede Kamer t.a.v. coalitie en premier na de verkiezingen van 15 maart.

Ik heb Van der Meer in 2013 geïnformeerd over mijn email aan Kathleen Thelen. Van der Meer kan dus weten van mijn werk, wanneer hij maar belangstelling toont. Maar ja, wanneer hij mij zou klassificeren als de zoveelste luchtfietser, dan is de wereld weer het slachtoffer van het zoveelste geval van miscommunicatie.

Van der Meer’s zwakke diagnose van het mediacircus

Uit het NRC-interview begrijp ik dat Van der Meer een zwakke diagnose geeft van het mechanisme waardoor die luchtfietserij van (vooral juristen bij) D66 en (archeoloog en filosoof) Van Reybrouck en (historicus en rechtsfilosoof) Baudet steeds maar weer publiciteit krijgt. Het kernargument is dat roepen dat de democratie faalt van nature aandacht krijgt van teleurgestelden. Het is een zwak argument, want het redeneert niet door naar de vraag waarom zulk roepen niet meteen met wetenschappelijk onderzoek en feiten weerlegd wordt.

Mijn advies aan Van der Meer is hierover door te denken. Mijn eigen suggestie is dat de mediaredacties vergeven zijn van historici en andere alfa-studies, en dat journalisten met een beta-achtergrond vooral nog zijn te vinden in de biotoop die dan “wetenschapsbijlage” heet. Ik heb helaas geen statistiek t.a.v. die achtergronden naar opleidingen. Mediaredacties bieden in zo’n geval geen weerwerk tegen het roepen dat de democratie faalt want redacties “denken” op dezelfde manier als de feitenvrije luchtfietsers, met als extra argument dat de krant moet worden verkocht en de kijkcijfers omhoog.

De academische opleidingen voor geschiedenis e.d. hebben er belang bij om zoveel mogelijk studenten te trekken. In plaats van dat er wetenschappelijke standaarden zoals in de natuurkunde gelden heeft men zijn eigen “alfa-wetenschappelijke” standaarden ontwikkeld. Wanneer die studenten afstuderen met een zogenaamde “alfa-wetenschappelijke” graad, en zij geen leraar geschiedenis o.i.d. kunnen worden, dan zwermen zij uit over de rest van de samenleving, waar zij met gebrek aan kritisch denken ellende op ellende veroorzaken. Denk bijvoorbeeld ook aan geschiedkundige Mark Rutte, zie hier.

Zie mijn bijdrage aan de wetenschapsagenda: “Kan en moet de studie geschiedenis niet strenger gaan opleiden tot wetenschap en respect daarvoor ?” Zie ook mijn bespreking “The end of the History Manifesto“.

De tweede factor is dat wiskundigen een opleiding tot abstractie – dus luchtfietserij – hebben, en zich onbekommerd bemoeien met allerlei onderwerpen, zoals financiële producten die een economische crisis kunnen veroorzaken, onderwijs in wiskunde, en inderdaad ook de theorie van verkiezingen. Klaarblijkelijk is Van der Meer ook onder invloed van zulke wiskundige luchtfietserij, waar hij in de video betoogt dat “ideale democratie niet bestaat”, en hij niet uitlegt wat dit ideaal dan zou zijn (“iedereeen is het met me eens” ?). Zie “Pas op met wiskunde over verkiezingen“.

Een derde factor zal dus ook zijn dat politicologie een eigen eilandje is gaan vormen, en niet meer openstaat voor de buitenwereld, waarin censuur van de wetenschap plaatsvindt waar juist ook wetenschappers tegen zouden moeten protesteren (en is politicologie een wetenschap ?).

Stembusaccoord en minderheidskabinet

Een wonderlijke suggestie van Van der Meer is dat partijen voorafgaand aan de verkiezingen meer stembusaccoorden zouden kunnen sluiten. Het is ietwat wonderlijk om hier zo’n aandacht aan te geven, omdat het de identiteit en de onderhandelingsvrijheid van de betrokken partijen onnodig beperkt. Partijen zouden dit instrument tactisch kunnen inzetten zoals zij nu reeds doen, maar het is vreemd om dit systematisch voor te stellen.

Een andere suggestie is om vaker een minderheidskabinet te hebben. Van der Meer is terecht gecharmeerd van het rondwinkelen om wisselende meerderheden te verzamelen, maar het is curieus dat hij zulk initiatief alleen aan een minderheid overlaat. De juiste aanpak bestaat uit een afspiegelingskabinet met veel onderhandelingsruimte.

Van de Meer voelt zich blijkbaar verplicht om alsnog suggesties te doen hoe de democratie verbeterd zou kunnen worden. Dit staat op gespannen voet met het eerdere argument dat de democratie reeds functioneert.

Opvallend is deze constatering door Hans Wansink in de Volkskrant:

Op de laatste pagina van zijn boek lijkt Van der Meer ineens niet meer zo zeker van zijn eigen niks-aan-de-handbetoog: ‘Gevestigde partijen die fungeren als verlengstuk van de staat plaveien de weg voor een nieuwe kiezersvlucht naar de politieke flanken. Zelfs een nieuwe populistische revolte is dan niet ondenkbaar.’ Die revolte komt wel erg plotseling uit de lucht vallen na Van der Meers iets te gemakzuchtige kritiek op door hem gewraakte ‘democratische doemdenkers’.

Partijkartel en warhoofd Thierry Baudet

Van der Meer constateert dat bestuurlijke functies in toenemende mate worden toebedeeld aan partijleden, in plaats van bekwame personen daarbuiten. Hij spreekt daarbij over een “bestuurlijke karteldemocratie” (NRC-interview). Van der Meer heeft geen goed instrument om dit aan te pakken. De kat is op het spek gebonden, en Van der Meer adviseert de kat om er vanaf te blijven.

Dit is koren op de molen voor Thierry Baudet met zijn Forum tegen (Newspeak “voor”) Democratie, die in de NRC de gelegenheid krijgt om kritiekloos toe te lichten dat hij het “partijkartel” te lijf gaat (Floor Rusman, NRC 2017-01-22).

Elders heb ik toegelicht dat Thierry Baudet een warhoofd is, en dat hoogleraren “rechtsfilosofie” nog maar eens goed moeten kijken of diens “proefschrift” wel die naam waard is. Van der Meer heeft deze kritiek op Baudet:

“Aan de andere kant bestaat juist de roep om meer democratie. Het populairste middel is het referendum, dat volgens onder anderen Geert Wilders en Thierry Baudet het vertrouwen in de politiek zal herstellen. Dat klinkt leuk, alleen jammer dat het niet klopt, aldus Van der Meer.” (NRC 2017-01-12)

Van der Meer vergelijkt hier met Denemarken en Zwitserland, maar het argument van Baudet is dat volksinitiatieven het “kartel” van Van der Meer juist hier in Nederland kunnen doorbreken. Het komt in deze teksten niet uit de verf hoe dat precies zou werken – dus Baudet blijft een warhoofd – maar ook niet wat Van der Meer daarvan zou vinden.

Een vertrouwenscrisis los je niet op met skepsis

Er bestaat in Nederland een vertrouwenscrisis. Het is wel zaak om die precies te benoemen. Deze passage in het NRC-interview is relevant:

[Van der Meer’s] voornaamste frustratie: dat de kiezer wordt verweten dat hij de democratie wantrouwt, terwijl uit bijna al het wetenschappelijk onderzoek blijkt dat die vertrouwenscrisis niet bestaat.

[Interviewer:] Toch hoor je vaak van kiezers dat ze de politiek niet vertrouwen.

[Van der Meer:] “Uit onderzoek blijkt dat er een groot vertrouwen is in de democratie, en minder in politici. Dat is juist goed: het is niet de bedoeling dat mensen politici blindelings vertrouwen.”

Van der Meer interpreteert de “vertrouwenscrisis” als “vertrouwenscrisis t.a.v. het stelsel van democratie als zodanig”. Dat lijkt me een beroepsdeformatie als politicoloog. Hopelijk wil Van der Meer niet ontkennen dat er toch wel degelijk een echte maar andere vertrouwenscrisis is. En die vertrouwenscrisis los je niet op met skepsis.

Ook dit is niet de vertrouwenscrisis waar het nu om gaat: Menig burger zal met de “vertrouwenscrisis” bedoelen dat “de politiek niets tegen immigratie doet”. Men stemt dan op Janmaat, LPF, PVV, F tegen D, SP, maar wanneer die stelselmatig in de oppositie zitten dan heeft dat ook geen zin. Maar ook dit bedoel ik niet.

In mijn diagnose bestaat de vertrouwenscrisis eruit, dat zelfs skepsis onvoldoende is, omdat het geen zin heeft om iemand met skepsis en voorwaardelijk enig vertrouwen voor bestuurlijke verantwoordelijkheid te geven, wanneer immers blijkt dat zulk vertrouwen systematisch geschonden wordt. Zie mijn pagina “In plaats van FEEST een vertrouwenscrisis“.

  • Nederland heeft zoals W.F.H. vaststelde een regentenmentaliteit, en wellicht de enige manier om Nederland respect voor wetenschappelijke vrijheid van denken bij te brengen is een boycot van dit land totdat de censuur van de wetenschap sinds 1990 door de directie van het CPB is opgeheven. Ik houd me aanbevolen voor wie een betere oplossing heeft.
  • Wanneer Nederlanders zeggen tegen censuur van wetenschap te zijn maar stelselmatig stemmen op politieke partijen die deze censuur van wetenschap laten gebeuren, dan zijn die Nederlanders inderdaad gek. Zie mijn bijdrage aan NWO Bessensap 2013: “Jullie zijn allemaal gek.
Advertenties

Over Thomas Colignatus

Thomas Cool is an econometrician and teacher in mathematics in Scheveningen, Holland. He uses the name Colignatus is science to distinguish this from his other activitities in commerce or politics. His personal website is http://thomascool.eu
Dit bericht werd geplaatst in Anatomie van Nederland, Democratie en getagged met , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.