Schrikken van de grote negatieve invloed door het wetenschappelijk falen door ook Hans Daudt

In deze bespreking kijken we naar (1) de keuze van de volksvertegenwoordiging voor de wetgevende macht, en (2) de vorming van een kabinet voor de uitvoerende macht. Die twee zaken hangen samen:

  • Er is het cruciale onderscheid tussen evenredige vertegenwoordiging en districtenstelsel. Bij evenredige vertegenwoordiging heeft een partij met p% van de stemmen in principe ook p% van de zetels, afrondingsproblemen daargelaten. Bij een enkelvoudig districtenstelsel gaat het er alleen om, per district, wie in een district de meeste stemmen heeft (of nog strenger een echte meerderheid), en met de andere stemmen wordt niets gedaan.
  • Bij evenredige vertegenwoordiging moet gangbaar onderhandeld worden over de vorming van een kabinet, wellicht tenzij een partij meteen de meerderheid haalt. Bij een districtenstelsel is de gedachte dat gangbaar direct een meerderheid ontstaat, ook al laat de praktijk in Engeland in de laatste tijd zien dat dit niet per se hoeft.

Met deze gegevens zijn er twee relevante oplossingen:

  • De beste aanpak: Wie onderzoekt wat het beste stelsel zou zijn, komt, via de welvaartstheorie uit de economie, snel uit bij evenredige vertegenwoordiging met een afspiegelingskabinet, d.w.z. een kabinet waarin zoveel mogelijk partijen deelnemen (behalve partijen met extreme visies).
  • De gangbare aanpak: Het is een oude gedachte dat een meerderheidscoalitie zou volstaan. Ook bij evenredige vertegenwoordiging, in Nederland sinds 1917, kan het voor een meerderheid logisch zijn om voorrang te geven aan de eigen politieke visie. Argument daarvoor zijn helderheid en daadkracht, en het niet “verspillen” van tijd aan het zoeken naar een compromis. Die helderheid en daadkracht zijn ook kernargumenten voor het districtenstelsel. Wie de argumenten hiervoor zorgvuldig onderzoekt, ontdekt echter dat dit drogredeneringen zijn.

Ik heb altijd gedacht dat Nederland met zijn evenredige vertegenwoordiging goed bestand was tegen de voorstellen voor het districtenstelsel en de gedachten die daaromtrent spelen. Wel zag ik dat ook Nederland koos voor meerderheidscoalities in plaats van afspiegelingscoalities. Mijn indruk was dat politici dan geen weerstand konden bieden tegen de verleiding om de eigen visie door te drukken. Het verbaasde mij wel dat de oppositie / minderheid die meerderheidsgedachte accepteerde, en niet pleitte voor de vorming van een afspiegelingskabinet, waarin meer ruimte voor diversiteit zou bestaan.

Nu echter kom ik tot de ontdekking dat het denken over het districtenstelsel wel degelijk invloed heeft gehad op het denken in Nederland. Het heeft namelijk het denken in termen van meerderheidscoalities bevorderd. We kunnen de oorzaak hiervan traceren naar de politicologie.

Hans Daudt en Ed van Thijn

In mijn advies aan de Staatscommissie parlementair stelsel leg ik uit dat de “politicologie van kiesstelsels” nog pre-wetenschappelijk is. Deze politicologen gebruiken vage termen en steunen op het algemeen taalgebruik, waardoor zij geen oog voor cruciale verschillen hebben. De laatste week is mij gebleken dat dit ook voor Hans Daudt (1925-2008) gold die als een van de stamvaders van de Nederlandse politicologie telt. Een van diens leerlingen is Ed van Thijn (geb. 1934), die als PvdA-politicus een grote invloed had op de “meerderheidsstrategie” en de stembusakkoorden van die PvdA vanaf circa 1968. Zij volgden het denken in termen van meerderheden zoals gebruikelijk voor het districtenstelsel, in plaats van het denken in termen van afspiegelingskabinetten zoals volgt uit de welvaartstheorie in de economie. De Nederlandse politiek heeft daar grote last van gehad en is er nog niet geheel van hersteld. Anno 2018 heeft Nederland wederom een meerderheidscoalitie en geen afspiegelingskabinet. In het vorige weblog entry besprak ik hoe Jan Pronk (geb. 1940) nog steeds in die termen denkt, en hoe onlogisch dit is. Het is schrikken van de grote negatieve invloed door het wetenschappelijk falen der politicologen en ook door Hans Daudt.

De verleiding van de omgangstaal

Hierboven zagen we dat het (enkelvoudige) districtenstelsel alle stemmen gebruikt om te bepalen welke partij de meeste stemmen heeft, welke partij dan de zetel krijgt. We zagen ook dat verder niets wordt gedaan met de andere stemmen. In wezen worden die weggegooid. Het weggooien van stemmen is in strijd met artikel 21 van de rechten van de mens, dat men in vrijheid een vertegenwoordiger moet kunnen kiezen. Wanneer je op partij A stemt, dan is het bizar om te stellen dat iemand van partij B je vertegenwoordiger wordt. Om die reden is een presidentieel stelsel met direct gekozen “chief executive” ook minder democratisch.

Het is uitermate wonderlijk dat de “politicologie van kiesstelsels” het districtenstelsel ook als “democratie” beschouwt, en niet slechts als “proto-democratie”. Het is alleen historisch verklaarbaar, vanuit het verzet van burgers tegen de aristocratie. Wie in de politicologische literatuur duikt – zie mijn artikel “One woman, one vote. Though not in the USA, UK and France” – ontdekt dat de politicologen verward zijn door traditie, taalgebruik en gebrek aan analytische scherpte. Met drogredeneringen scheppen zij een rationalisatie waardoor ze zelfs gaan beweren dat juist een districtenstelsel een betere democratie zou zijn.

  • Deze politicologen steunen op de omgangstaal, waardoor ze kunnen stellen dat er zowel in Nederland als de USA “verkiezingen” zijn. Wanneer stemmen systematisch worden weggegooid zoals in de USA dan is de omgangstaal versluierend, en moet een wetenschapper juist tegen dat versluierend taalgebruik protesteren. Men kan beter zeggen dat de USA “halve verkiezingen” kent.
  • Er is het onderscheid tussen stemmen voor een enkele zetel, zoals een president, en het stemmen voor volksvertegenwoordigers in een parlement. Bij een keuze voor een president zou men er wellicht vrede mee kunnen hebben dat zo’n helft van de bevolking teleurgesteld raakt. Men moet het stemmen voor een district niet gaan voorstellen als het stemmen voor een president, wanneer de bedoeling een andere is, namelijk het kiezen van een volksvertegenwoordiging. Deze politicologen zeggen dat ze het onderscheid maken maar feitelijk doen ze het niet, want in een (enkelvoudig) districtenstelsel worden de zetels behandeld zoals bij een presidentsverkiezing.
  • Deze politicologen menen dat kiezers bij een districtenstelsel meer kansen hebben om een andere regering te kiezen. De kiezers zouden dan meer macht hebben om het beleid bij te sturen. Dit is het argument van “accountability” (verantwoording, aanspreekbaarheid). Wie goed naar de onderbouwing kijkt constateert dat dit argument niet deugt. Misschien zijn de politicologen in de war tussen enerzijds een enkel district, waar misschien minder dan de helft van de stemmen nodig is om een gekozene weg te sturen, en anderzijds het systeem als geheel ? Voor het systeem als geheel geldt dat er vaak “veilige districten” zijn, bijv. via “gerrymandering“, zodat een regering juist aan de macht kan blijven met een minderheid van de stemmen. Het blijkt dat juist evenredige vertegenwoordiging de grootste verantwoording / aanspreekbaarheid heeft, omdat daarin immers preciezer blijkt hoe de meerderheid erbij staat.

Een tweede punt is het onderscheid tussen het kiezen van de uitvoerende macht (een regering) en het kiezen van een volksvertegenwoordiging (de Kamers). Bij evenredige vertegenwoordiging gaat het om de Kamers, waarbij vervolgens de Tweede Kamer de regering vormt. In de USA wordt ook de president direct gekozen, maar dat leidt vaak tot een botsing van de twee mandaten, waardoor het landsbestuur vaak verlamd raakt. Politicologen kunnen de verwarring hieromtrent vergroten door het een “nadeel” te noemen dat evenredige vertegenwoordiging geen directe en alleen indirecte invloed op de samenstelling van de regering betekent. Dat is zoiets als zeggen dat het een “nadeel” is dat goud niet tegelijkertijd diamant is. Taal is hier heel flexibel maar het is gewoon onzin.

Daudt zag het blijkbaar niet

In het boek “Echte politicologie” (Bert Bakker 1995) blijkt dat Daudt in zijn proefschrift kritisch keek naar het werk van de Engelse en Amerikaanse politicologen ten aanzien van de zwevende kiezer. Blijkbaar was er geen principiële belemmering om kritisch naar zulk werk te kijken. Toch lezen we bij Daudt geen fundamentele kritiek op het verschijnsel dat de Engelsen en Amerikanen hun districtenstelsel superieur achten aan het stelsel met evenredige vertegenwoordiging. In Leiden, en bij de naar de USA verhuisde Arend Lijphart, zien we juist wel een verdediging van de evenredige vertegenwoordiging, maar, opmerkelijk genoeg, vooral met de houding van “het is ook een model” en nog niet het inzicht dat het districtenstelsel juist ondeugdelijk is, en alleen proto-democratisch kan worden geacht.

Hoe Daudt er precies over dacht is alleen nog historisch interessant. Mij gaat het nu om de invloed op het denken in Nederland tot op de dag van vandaag.

Daudt, D66 en Commissie Cals-Donner

In 1966 werd D66 opgericht met de kroonjuwelen van districtenstelsel en direct gekozen premier en burgemeester, waar later nog het referendum werd toegevoegd. D66 deed hiervoor geen wetenschappelijk onderzoek maar keek vooral naar de USA. Na de verkiezingen van 1967 stelde het kabinet De Jong de commissie Cals-Donner in om naar grondwet en kieswet te kijken. In “Echte politicologie” vertelt Daudt (p453-451) dat hij Den Uyl tegenkwam en hem bekende als PvdA-lid toch op D66 te hebben gestemd om een kabinet Den Uyl mogelijk te maken, en dat Den Uyl hem toen voor die commissie voordroeg. Daudt legt ook uit dat bij binnen die commissie een beperkt districtenstelsel en de direct gekozen (in-) formateur verdedigde, maar dat er geen meederheid voor was.

We mogen Cals en Donner dankbaar zijn dat men niet met de dwaling door Hans van Mierlo, D66 en Daudt is meegegaan. Bij de PvdA had Van Thijn meer ruimte om te dwalen. Door zo op het meerderheidsdenken en het vermeende eigen gelijk te hameren, haakten de andere partijen af. Of er anders een tweede kabinet Den Uyl had kunnen komen is hier niet aan de orde. Waar het om gaat is dat de afspiegelingsgedachte in de knel kwam, nl. de gedachte dat alle (acceptabele) partijen aan het landsbestuur zouden meedoen, met een nette scheiding tussen uitvoerende macht en controlerende macht. (Dit is geen “zakenkabinet” want het blijft om politieke functies gaan.)

Bekering ?

In de inleiding tot “Echte politicologie” p29 doet Joop van den Berg (geb. 1941) een waarneming die hij “ironisch” noemt :

“dat Daudts artikel uit 1976 [“De politieke toekomst van de verzorgingsstaat”, 10 jaar na 1966] een ‘bekering’ impliceert, weg van het streven van de ‘Amsterdamse school’ in de politicologie naar een meerderheidsbestel tot dat van de ‘Leidse school’ naar behoud van de Nederlandse consensusdemocratie.”

Mijn probleem hiermee is dat Daudt hiermee met name denkt aan de “Ostrogorski-paradox” die hij samen met Douglas Rae ontwierp en naar Ostrogorski (1854-1921) noemde. Het idee is dat partijen stemmen kunnen verzamelen op specifieke onderwerpen, waarna een meerderheidscoalitie beleid kan voeren waar een meerderheid van de kiezers juist tegen is. Het voorbeeld van Daudt & Rae kent twee partijen, drie onderwerpen, en vier groepen kiezers. Technisch klopt het voorbeeld. Mijn antwoord is dat het bij evenredige vertegenwoordiging logischer is dat er vier partijen ontstaan. Bij een districtenstelsel met neiging tot twee partijen is het voorbeeld wel sterk, maar het is dan een argument tegen het districtenstelsel. Maar ook bij evenredige vertegenwoordiging en 150 kamerzetels zullen er wel meer dan 150 onderwerpen zijn zodat deze Ostrogorski-paradox zelfs bij 150 partijen zeer wel kan voorkomen. Als zodanig overtuigt het weinig, want regeren per referendum blijft inferieur aan het stelsel met volksvertegenwoordigers en politieke partijen. Referenda hebben immers hun nog veel ergere paradoxen, en politieke partijen kunnen zorgen voor het integraal kader van hun politieke visie. De Ostrogorski paradox is daarmee weliswaar een waarschuwing tot voorzichtigheid t.a.v. beleid en bescheidenheid voor meerderheidscoalities, maar niet de fundamentele reden om het districtenstelsel als ondeugdelijk af te wijzen.

(Robert Dahl, “A preface to democratic theory”, 1956, p128, geeft deze paradox ook al, maar dan voor een presidentieel stelsel met twee kandidaten. Zie 1W1V p100-101 voor deconstructie hiervan.)

In “Echte politicologie” meldt Joop van den Berg dat hij vanaf 1976 minstens eenmaal per maand met Daudt lunchte, eerst toen Daudt ook in Leiden werkzaam werd en daarna voortgezet in Amsterdam. Blijkbaar heeft Van den Berg tijdens die lunches nimmer de doorslaggevende argumenten tegen het districtenstelsel genoemd, of vergeet Van den Berg die argumenten nu te herhalen, of was Daudt hierover niet aanspreekbaar. Mijn indruk is dat Van den Berg als jurist blijkbaar niet de wiskundige scherpte had om die argumenten ook zelf te ontdekken, zoals ook gold voor de gehele “Leidse school”.

Daudt, in zijn terugblik in 1989 (weer 13 jaar later) op de commissie Cals-Donner (“Echte politicologie” p453-461), stelt: “Degenen, die meenden dat staatrechtelijke vernieuwing nodig was om de landelijke politiek nieuw leven in te blazen, hebben op drie manieren aan het kortste eind getrokken.” Deze uitdrukking betekent dat men in het nadeel is. Men verwacht dat Daudt zou stellen dat die voorstellen alsnog ingevoerd zouden moeten. Verrassend genoeg geeft Daudt redenen om er enigszins vrede mee te hebben dat de voorstellen juist niet zijn overgenomen.

Wellicht is Daudt bekeerd maar dan heeft hij nog niet de relevante kritiek t.a.v. het Amerikaanse kiesstelsel geformuleerd, zoals ook de Leidse school in gebreke blijft.

Partitocratie 2002-2016

2 Dagen voor de moord op Fortuyn publicieerde de NRC een artikel “De illusie van democratie” door Gerard van Westerloo (1943-2012).

“Een rondgang langs professoren leidde tot de volgende conclusies: politiek is gedegradeerd tot bestuur, de regentenstand speelt elkaar baantjes toe en het parlement oefent nauwelijks meer controle uit. De politieke partij is vooral een opstapje geworden voor een verdere carrière.Mag dit stelsel nog een democratie heten?”

Daudt is helder:

“Nederland, schreef hij nog voordat er sprake was van Fortuyn, is mogelijk een oord van vrijheid en zeker een rechtsstaat, maar Nederland is allerminst een democratie.”

Mogelijk is Daudt na de door Van den Berg “ironisch” geconstateerde “bekering” weer terugbekeerd tot zijn oorspronkelijke standpunt ? Als zodanig is het alleen historisch interessant, maar, voor lezers anno 2018 is er wel de voortdurende kritiek op het “partijenkartel”.

Daudt krijgt grotendeels steun van Ankersmit, Frissen, Hajer, Tromp, Kalk, Voerman, De Beus, Tops, Baakman, In ’t Veld, Van Praag, C. de Vries, Becker, C.J. Klop, Mair, Blom, Rosenthal.

Zelfs ook Joop van den Berg:

“‘Ja’, antwoordt hij, ‘iets van een politieke kaste is er wel. Daudt overdrijft misschien en dat doet hij expres, maar inderdaad, de trekken van een nomenklatoera, daar heeft het wel iets van.'”

Na alle kritiek trekt Van Westerloo de conclusie:

“Een doorleefd alternatief heeft de verzamelde politicologie niet te bieden, alleen een diagnose. Dat het volksvertegenwoordigend systeem behoorlijk ziek is. Maar een remedie? O ja, de roep om een persoonlijke keuze klinkt op. Maar in Engeland, waar elke kandidaat sinds mensenheugenis zijn district moet zien te winnen, gaan stemmen op die juist pleiten voor een evenredig kiesstelsel. De liberalen trekken daar elke keer weer een hoop kiezers en een miniem aantal zetels. Nee, een simpele remedie is er niet. Het lijkt er eerder op alsof onze rijkvertakte, sterk geïndividualiseerde en verinternationaliseerde samenleving te ingewikkeld geworden is voor zoiets simpels als een volksvertegenwoordigende democratie.”

Tja, als zelfs wetenschappers en journalisten in een democratie als Nederland niet begrijpen wat democratie is dan moet men niet verbaasd zijn dat er een vertrouwenscrisis ontstaat.

Het thema van het “partijenkartel” is opgepakt door Thierry Baudet en zijn Forum voor Democratie, maar, Baudet heeft blijkbaar geen studie van democratie gemaakt, en praat bovenstaande heren na – zie hier.

Over de doden niets dan goeds, maar, wanneer de redactie van VN bij het overlijden van Gerard van Westerloo stelt “Wie zijn grote reportages (…) las, begreep waar het om draaide in de journalistiek: echte verhalen over echte mensen, prachtig geschreven op basis van uitputtend onderzoek”, dan past de kritiek dat ook Van Westerloo in gebreke was bij dit onderzoek naar de stand van democratie. Het is opmerkelijk dat hij niemand heeft gevonden die Daudt tegenspreekt, maar hoe heeft hij gezocht ? Joop van den Berg verdedigt die partitocratie nog wel een beetje, in een combinatie van enerzijds anderzijds. Van Westerloo registreert het maar graaft niet door.

In zijn afscheidscollege in 2010 stelt Jacques Thomassen (geb. 1945):

“Maar, en dat is wat ik heb willen betogen, laten we niet al te gemakkelijk over een crisis van de democratie spreken. De problemen waarvoor we nu een oplossing proberen te vinden liggen in het verlengde van het democratiseringsproces zoals dat al in de negentiende eeuw is begonnen met als inzet een meer directe relatie tussen de wil van het volk en het overheidsbeleid. Dat is een moeizaam proces waarin het volk soms redeloos lijkt en de elite radeloos. Maar dat de democratie reddeloos zou zijn, lijkt mij voorlopig een onzinnige stelling. We hebben de onverbeterlijke neiging om de problemen waar we nu mee geconfronteerd worden geweldig uit te vergroten en het historisch perspectief te verliezen (…). Er is geen enkele periode in de geschiedenis aanwijsbaar waarin de democratie steviger verankerd was dan in de huidige.”

Toch is het ook weer verbazingwekkend dat ook weer Thomassen in de “regering-oppositie” tegenstelling denkt, d.w.z. het “meerderheidsdenken”, in plaats van te opteren voor afspiegelingscolleges waarin zoveel mogelijk partijen in de regerings-verantwoordelijkheid delen, maar waarin het parlement wel controleert:

“Maar het zou al helpen wanneer kabinetsformaties bij voorkeur ‘over rechts’ dan wel ‘over links’ zouden plaatsvinden en vooral niet ‘door het midden’. Want juist die klontering van de gevestigde politieke partijen leidt tot een karteldemocratie met alle gevolgen van dien.”

Tom van der Meer, Niet de kiezer is gek, 2017

Gelukkig in 2017 is er Tom van der Meer (geb. 1980), Niet de kiezer is gek (artikel, boek, video). De omslag van het boek stelt:

“Politicoloog en publicist Tom van der Meer dient in Niet de kiezer is gek David van Reybrouck, Thierry Baudet, Maarten van Rossem, Sybrand Buma, Edith Schippers, Bernard Wientjens, Alexander Pechtold en vele anderen van repliek.
Hij breekt een lans voor de kiezer die steeds maar weer ten onrechte de schuld krijgt van het gebrek aan vertrouwen in de politiek en van wispelturig stemgedrag. Ronduit zorgelijk noemt hij het dat politici en media massaal de vlucht naar voren zoeken in maatregelen die de democratie zouden moeten redden maar feitelijk ondergraven, en bestuurlijk niets oplossen. Kiesdrempels, fusies van partijen, referenda en burgerfora; het zijn contraproductieve medicijnen voor een verkeerd begrepen kwaal.
Het zijn de politici zelf die zich een spiegel moeten voorhouden. Er is geen crisis van de democratie, er is een crisis van de gevestigde partijen. Zij zitten op een doodlopend spoor, maar blijken niet bij machte bij te sturen.”

Van der Meer herinnert er ook fijntjes aan dat nieuwe partijen snel toegang kunnen krijgen tot het regeringspluche – D66 in 1973, LPF in 2002 en PVV 2010. Volhouden is wat anders.

Conclusie

De lezer doet er goed aan mijn Advies aan de Staatscommissie parlementair stelsel (commissie Remkes) te bekijken.

Het is schrikken van de grote negatieve invloed op het politiek proces in Nederland door het wetenschappelijk falen door ook Hans Daudt. Deze terugblik hier helpt vooral om beter zicht te krijgen op zowel dat falen als het belang van de correctie daarop. Voor de politiek: Nogmaals een periode met meerderheidsdenken en stembusakkoorden, laten we daar niet aan denken. Laat Rutte met zijn huidige meerderheidscoalitie plaatsmaken voor een afspiegelingskabinet. Voor de wetenschap: Er dient het nodige te veranderen wil de “political science on electoral systems” echt wetenschappelijk worden. Nederland heeft een comparatief voordeel door zijn stelsel van evenredige vertegenwoordiging, en onze wetenschappers hebben dat in hun publicaties nog onvoldoende benut.

Advertenties

Over Thomas Colignatus

Thomas Cool is an econometrician and teacher in mathematics in Scheveningen, Holland. He uses the name Colignatus is science to distinguish this from his other activitities in commerce or politics. His personal website is http://thomascool.eu
Dit bericht werd geplaatst in Democratie en getagged met , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.