Remkes’s Tussenstand is om van te schrikken

“Daarbij roepen we iedereen op om ons opnieuw te bestoken met commentaar, kritiek en nieuwe suggesties,”

toespraak van Johan Remkes, voorzitter van de Staatscommissie parlementair stelsel (Scps, met maar één hoofdletter), 21 juni 2018.

De website van de Scps toont een lange lijst van rapporten en bijeenkomsten met hun verslagen. De Scps ontvangt niet slechts commentaar maar reageert ook, met name via de Tussenstand van 21 juni 2018. Ook daar belooft de Scps communicatie (p4):

“Net zoals zij met de Probleemverkenning heeft gedaan wil de staatscommissie de inhoud van deze Tussenstand graag eerst verder onderzoeken en bespreken met burgers, wetenschappers en andere deskundigen voordat zij haar werk afrondt.”

Is het werkelijk ? Ook ik heb een Advies aan de Scps gezonden, en men schreef me ernaar te zullen kijken, maar de Tussenstand geeft geen inhoudelijke reactie op mijn Advies.

Een voorbeeld is het referendum. Remkes in zijn speech (p1):

“Een tussenstand is nog geen eindrapport. (Dus wie van u daarnet al heeft getwitterd “Staatscommissie wil bindend referendum” was net iets te vroeg en net iets te kort door de bocht. (…)”

Later maakt Remkes echter duidelijk dat de commissie dat bindend referendum wel degelijk reeds omarmt (p5):

“Toch meent onze commissie dat een correctief bindend referendum de representatieve democratie juist zou kunnen versterken, bij verstandig en terughoudend gebruik. (…) In het eindrapport zullen we deze variant verder uitwerken.”

Dus je kunt communiceren wat je wilt maar de Scps heeft zijn mening dat er een bindend correctief referendum zou moeten komen al klaar.

Pseudowetenschap en betonnen muur

Belangrijker dan het referendum is het volgende. Ik heb de Scps gemeld dat de “politicologie over kiesstelsels” geen empirische wetenschap is gebleken, maar is blijven steken in de geesteswetenschappen, en feitelijk vergelijkbaar aan astrologie, alchemie of homeopathie. Deze “politicologie over kiesstelsels” kent hoogleraren, proefschriften en promovendi, en “peer review journals”, maar het ontbreekt aan een daadwerkelijke empirische houding. Feitelijk is er dan ook sprake van een grote misstand. De Scps heeft juist bij deze pseudowetenschappers advies ingewonnen, en het is pijnlijk te constateren dat de Scps niet ingaat op mijn waarschuwing terzake.

Een waarschuwing wordt genegeerd in plaats van dat het aandacht krijgt. Wanneer de Scps commentaar en kritiek ontvangt dan zou men meer moeten doen dan alleen registreren dat het is binnengekomen. Argumenten dienen ook overdacht te worden en het dient gedocumenteerd te worden waarom kritiek wel of niet wordt overgenomen. Nu hebben we de betonnen muur dat je wel wat mag insturen maar dat zoiets ook geen zin heeft omdat de Scps er niet op reageert.

Het is gemakkelijk om te denken, en standaard doen velen dit, dat het geen verplichting is voor anderen om teksten te lezen of daarop te reageren. Echter, de vrijheid van meningsuiting komt ook met de plicht tot luisteren, en dit geldt des te sterker voor de wetenschap.

Uit dit negeren zou men kunnen concluderen dat de waarschuwing niet op zijn plaats zou zijn, maar wat zijn dan de argumenten ? Wat gaat er mis ? Zolang niet helder is of er nog een goede reden voor dit negeren is, kan ik niet anders dan veronderstellen dat de Scps en zijn voorzitter Johan Remkes disfunctioneren.

Tussenstand en referendum

In zijn toespraak noemt Remkes meer dan alleen het referendum. Hij noemt ook de direct-gekozen formateur (niet slechts informateur maar toch geen gekozen premier), en het gevoeliger maken van het kiesstelsel voor personen en regio’s. Ook wordt de gedachte aan een Constitutioneel Hof ondersteund. Hoe dit alles zou kunnen laat men echter veel vager dan de onomwonden keuze voor het bindend referendum. De Tussenstand hoofdstuk 7 op p122-124 geeft het lijstje mogelijke oplossingen die de Scps uitgezeefd heeft en waar men nader naar wil gaan kijken.

Het uitbrengen van zo’n Tussenstand is opmerkelijk, juist ook wanneer men vooral helderheid over het bindend correctief referendum geeft en zo weinig duidelijkheid over andere punten te bieden heeft.

Tegelijkertijd kunnen we ons verbazen over de oproep van 18 politicologen en bestuurskundigen tot een referendum over de afschaffing van het raadgevend referendum.  (NRC 2018-02-17) Twee ondertekenaars van dit artikel, Ruud Koole en Tom van der Meer, zijn ook lid van de Scps.

De vaagheid van die andere punten in vergelijking met die helderheid t.a.v. het referendum roept het vermoeden op dat de Scps vooral een signaal over het referendum heeft willen geven. Door de kabinetsformatie 2017 ontstond er discussie omtrent de intrekking van het raadplegend correctief referendum, en het afhouden van een referendum daarover. Er dreigde een dynamiek te ontstaan waarbij de Tweede Kamer bij voorbaat al een standpunt zou innemen. Het is niet ondenkbaar dat de Scps vreesde dat het eigen advies als mosterd na de maaltijd zou komen. Door het uitbrengen van deze “Tussenstand” geeft de Scps een schot voor de boeg.

Parallel spoor of interactie t.a.v. kabinetsformatie

Je kunt je ook afvragen of er zelfs interactie met de kabinetsformatie 2017 zelf was. D66 ging opmerkelijk soepel accoord met de afschaffing van het correctief referendum en zei juist een bindend referendum te willen, terwijl de haalbaarheid van zo’n bindend referendum in geen velden of wegen te bekennen was. Mogelijk heeft men afgetast hoe de visies in de Scps lagen ? De Scps was reeds op 27 januari 2017 door minister Plasterk van Rutte II ingesteld. Op een bijeenkomst op 5 oktober 2017 zei Remkes: “Wat de staatscommissie betreft is het referendum een serieus te nemen onderwerp voor de toekomst” en op 9 oktober werd het voorlopig coalitieaccoord voor Rutte III beklonken. Het laat zich niet vermoeden dat hierover afspraken zouden zijn gemaakt omdat de Scps juist onafhankelijk moet zijn. Het blijft hoe dan ook opmerkelijk dat de Scps zo sterk in D66-vaarwater is gekomen terwijl de argumenten van D66 vanaf 1966 juist misleidend zijn gebleken. Die betonnen muur roept dan ook extra vragen op, want deze sluit aan bij de misleiding door D66 en ontmaskert deze juist niet.

De argumentatie van de Scps voor het referendum overtuigt niet

Er is alle reden om de wetenschappelijkheid van de argumenten in aangehaalde oproep van 18 politicologen en bestuurskundigen te betwijfelen.

De Scps kiest expliciet voor inbreuk op de representatieve democratie, met een argument dat ik niet kan volgen (p55). Een inbreuk op de grondwet is wenselijk omdat het om de grondwet gaat ?

“Invoering van een dergelijk ingrijpend instrument is van constitutionele orde: herziening van de Grondwet op dit punt is noodzakelijk. Voor de staatscommissie is hierin een aanvullend argument gelegen voor haar voorkeur voor de bindende vorm van het correctieve referendum.”

In de Tussenstand gaat de Scps ook niet in op mijn argumentatie tegen het referendum. Wellicht was de Scps zo druk bezig met het schrijven van de Tussenstand ten gunste van het referendum dat men geen tijd had om naar mijn Advies te kijken dat hier sprake is van pseudowetenschap ?

Herhaling van de verkeerd begrepen “Ostrogorski paradox”

De stelling van de Scps p53 is:

“Het is inherent aan de (representatieve) democratie dat het parlement in bepaalde opzichten geen volkomen inhoudelijke vertegenwoordiging van de bevolking zal zijn. In het parlement kunnen (ingrijpende) besluiten worden genomen waarvoor bij de bevolking geen meerderheid bestaat (…) Deze problematische inhoudelijke representatie is een serieuze tekortkoming in het parlementair stelsel.”

Deze stelling van de Scps is echter een misrepresentatie, en wetenschappelijk onverantwoord. De misrepresentatie door de Scps zit in de kwalificaties “(ingrijpende)” en “serieuze”. Het is wel correct dat zelfs een met evenredigheid gekozen parlement een besluit kan nemen waarvoor onder de kiezers geen meerderheid bestaat.

Het kernpunt is dat wanneer een besluit belangrijk is, en een meerderheid echt zou vinden dat de belangen onevenredig geschaad zouden worden, dat dan een nieuwe partij kan opstaan, om dat belang te verdedigen.

Het punt van de Ostrogorski-paradox is valide maar het gaat weer te ver om dit als argument voor referenda te gebruiken, want zo schuift men op naar de afschaffing van de representatieve democratie, terwijl het juist zaak is deze te versterken, bijvoorbeeld door het gemakkelijker te maken dat partijen tot het parlement toetreden. Velen maken zich zorgen over “versnippering” maar leg dan beter uit wat “representatieve democratie” betekent.

Het is hierbij ook nuttig te beseffen dat het begrip “meerderheid” niet als een absoluut ideaal gezien hoeft te worden. Naast stemmen met gewone meerderheid (50% + 1) is er bijv. het stemmen met Borda rangordes. Met drie opties A, B en C, zijn er zes mogelijke rangordes (3 mogelijkheden voor de eerste plaats, 2 resterende voor de tweede plaats, en de derde volgt dan vanzelf). Deze rangordes kunnen verdeeld zijn over bijvoorbeeld zes partijen. Bijvoorbeeld C kan er als compromis tussen A en B uitrollen, terwijl een 50% + 1 meerderheid voor A zou kunnen bestaan. Partijen kunnen dit compromis ook via onderhandelen vinden met daarna afronding via een stemming waarin het compromis gesteund wordt. Het kan dan lijken alsof er een probleem t.a.v. het meerderheidsbeginsel zou zijn, maar in feite betekent dit alleen dat er iets mankeert aan het onderwijs over democratie.

Robert Dahl “A Preface to Democratic Theory” (1956) bevat een paradox hoe een president in de USA gekozen kan worden door het bijeensprokkelen van belangengroepen op hun belangrijkste punten van interesse, zodat deze president wel gekozen kan worden maar tegelijkertijd steeds ingaat tegen de wensen van de meerderheid (van 50% + 1 per deelterrein). Dit pleit inderdaad tegen het presidentiële stelsel, maar heeft natuurlijk een nauw verband met hoe coalitie-accoorden tot stand kunnen komen. Douglas Rae en Hans Daudt hebben deze paradox omgebouwd naar de parlementaire verkiezingen. Zij noemden dit niet de Dahl-paradox maar de Ostrogorski-paradox, ook al heeft Ostrogorski er weinig mee te maken.

In mijn exemplaar van Dahl’s “Preface” vond ik een krantenknipsel uit 1982 terug van een artikel van Ruud Koole (lid van de Scps) over “Ostrogorski en de partijdemocratie” (Intermediair, 18e jaargang, 48, 3 december, p17-21). Dit blijkt nog zeer leesbaar en verdient online te komen. Koole verwijst naar een discussie tussen Hans Daudt, die de paradox van een “duivelse schoonheid” noemt (en die ook wel prat op zijn eigen artikel zal zijn), en Hans van den Doel, die deze van een “kinderlijke onnnozelheid” vindt getuigen (Haagse Post, 8 maart 1980, p40-41). Noch in de Probleemverkenning noch in de Tussenstand van de Scps waar Koole dus aan meewerkte valt deze kritiek van Van den Doel terug te vinden. Dit is onevenwichtig.

In mijn Advies aan de Scps heb ik reeds helder toegelicht dat deze paradox een schijnargument oplevert. Zie boven voor het tegenargument van het toetreden van nieuwe partijen. In de Tussenstand herhaalt de Scps deze paradox en gaat niet in op de kritiek.

Een zogenaamde oplossing die zelf een overdaad aan problemen geeft

De Scps presenteert het referendum als een oplossing. Hierbij vergeet men dat het referendum een instrument is dat zelf veel problemen met zich meebrengt. Het referendum is geen doekje voor het bloeden maar een mes dat bloeden veroorzaakt. Zie een eerdere uitleg alhier, met ook het voorbeeld van het referendum over Brexit.

Te vrezen valt dat we hier in de wereld van het magisch denken zijn beland. Bij een woord als “Amsterdam” lijkt iedereen te weten wat je bedoelt, maar ieder denkt mogelijk aan wat anders. Men kan het woord “referendum” hanteren alsof het daadwerkelijk iets voorstelt, maar ieder kan weer wat anders denken. Filosofen zeggen: de betekenis van een woord is zijn gebruik. Maar dat kan dus ook een wereld van vaagheden en wensdenken opleveren. De Scps gebruikt het woord als  vermeende oplossing, en straks in de praktijk gaat dan blijken dat we juist verder van huis zijn.

Conclusie

Vooralsnog kan ik slechts constateren dat de Staatscommissie parlementair stelsel disfunctioneert. Een belangrijke waarschuwing wordt genegeerd en er wordt niet eens de moeite genomen om de argumenten te weerleggen.

De Tussenstand lijkt vooral gemotiveerd te zijn om de eigen rol ten aanzien van het referendum onder de aandacht te brengen. Andere punten zijn veel vager en vooral een herhaling van zetten. De keuze voor het bindend correctief referendum toont echter andermaal dat de “politicologie over kiesstelsels” een pseudowetenschap is, en het toont ook weer de betonnen muur dat de Scps niet wil ingaan op deze waarschuwing en kritiek.

De lezer wordt geadviseerd mijn Advies aan de Scps te bekijken. Ik hoef me niet te herhalen. Wetenschappers worden gewezen op het artikel “One woman, one vote. Though not in the USA, UK and France”. Zie ook de andere literatuur hieronder, vaak in relatie tot Brexit.

Hieronder volgen nog enkele punten.

Bijlage

De Tussenstand nodigt niet uit tot lezen. Het is vooral herhaling, en de uitbreiding met suggesties tot oplossing toont dat het vooral losse flodders zijn waarvan je niet weet wat je ermee aanmoet omdat de eindredenering ontbreekt. Waar de Tussenstand weinig verheffend is, kan ik slechts opmerkingen maken van een meer administratief karakter, en het geheel is weinig inspirerend.

Het afscheid van de representatieve democratie

De oorspronkelijke zes probleemvelden brengt de Scps terug naar drie “leidende vragen” en “pijlers” (p20-21). De Probleemverkenning telde 70 pagina’s en de Tussenstand heeft 125 pagina’s, met veel herhaling van zetten. De Scps suggereert dat een “oplossingsrichting” meer pagina’s vraagt dan een “probleemverkenning”. Echter, wanneer de probleemverkenning reeds gegeven is, zou de oplossingsrichting ook kort kunnen zijn. Soms kan men ook kort erkennen dat een ervaren “probleem” een schijnprobleem was.

Veel sterker dan in de Probleemverkenning gaat de Scps nu afscheid nemen van de representatieve democratie. De Scps vermijdt de term “populisme” en gebruikt de term “directe democratie”. Op deze manier negeert men dat zulke “directe democratie” wel degelijk als populisme aan de kaak is gesteld:

“Vormen van directe democratie kunnen echter in sommige gevallen een nuttige correctie vormen op het representatieve model.” (p12)

Dit is nogal stellig terwijl zulke vormen juist afbreuk aan de representatie kunnen doen.

“De representatieve democratie krijgt primair gestalte door middel van verkiezingen voor vertegenwoordigende organen. Dit primaat van de representatieve democratie wordt door de staatscommissie niettemin in verband gebracht met enkele direct-democratische instrumenten, waaronder het referendum (zie de paragrafen 4.4 en 4.5), alsmede de wenselijkheid van meer invloed van de kiezers op de kabinetsformatie (zie paragraaf 4.6) en van openheid over de kabinetsformatie (zie paragraaf 4.7). De verkiezingen voor vertegenwoordigende organen staan echter centraal in het concept representatie.” (Tussenstand p26)

Zo stelt de Scps (p30): “Het verder verlagen van de voorkeursdrempel, bijvoorbeeld tot 10% of zelfs 0%. Deze bedraagt nu 25% van de kiesdrempel. [voetnoten]” Het voorstel van het Burgerforum heeft die 0%, zodat kandidaten worden gesorteerd op hun behaald aantal stemmen. De Scps vergeet dan de bezwaren te noemen. In België is het zo dat de sterkere aandacht voor de persoonlijke positie van kandidaten ertoe leidt dat deze tegen elkaar gaan opbieden, zelfs binnen de eigen partij, zodat hier het verschijnsel van cliëntisme ontstaat. De Scps verzint dus maar wat, zonder degelijk onderzoek, en laat de lezer vervolgens zwemmen met de melding dat e.e.a. terugkomt bij het Eindrapport.

Zie hoe de Scps het districtenstelsel behandelt, waaromtrent de minister een specifiek verzoek indiende. Zo’n stelsel bevordert ook het cliëntisme voor het district waarvoor men is gekozen. De Scps p37 meent dat een districtenstelsel een “directe band tussen kiezer en gekozene” schept, en men vermijdt de term “cliëntisme” die de bedenkelijkheid van zo’n band toont. Men doet het voorkomen alsof kiezers graag zo’n “band” zouden willen, alsof Cort van der Linden in 1917 niet reeds constateerde dat het zwaartepunt naar partijen was verschoven (Scps p26). Al 100 jaar hebben kiezers nog altijd de vrijheid om direct op een kandidaat van keuze te stemmen. De meeste kiezers volstaan met de lijsttrekker. Of wanneer een regio zich voelt achtergesteld dan kan men altijd een partij voor die regio oprichten, maar zulke regionale partijen dringen eigenlijk niet tot de kamer door (ook al heeft de PVV een sterke zuidelijke basis en de PvdA een sterke noordelijke basis). De Scps ziet derhalve een schijnprobleem. Waarom ? Sinds 1966 is er de misleiding door D66 en al langer bestaat er de internationale literatuur in de politicologie over kiesstelsels, met landen als USA, UK en Frankrijk die een districtenstelsel hebben, welke internationale literatuur onwetenschappelijk en vol vooroordelen is gebleken, en waar Nederlandse politicologen aan meedoen.

Een recent voorbeeld is Victor Orban die zijn kiesdistricten in Hongarije zo indeelde dat hij met 45% van de stemmen toch nog aan de macht kan blijven. (Volkskrant video) Zie ook Scps p16: “In deze landen worden ook vaak kunstmatige meerderheden gecreëerd via het kiesstelsel.” (en kijk dan eens naar USA, UK en Frankrijk). In plaats van met het districtenstelsel te flirten zou de Scps er beter aan doen om een parlementaire enquete te adviseren naar die vermeende wetenschappelijkheid van die “politicologie over kiesstelsels”.

Positief is dat de Scps diverse modellen voor een districtenstelsel afwijst met verwijzingen naar de inbreuk op de evenredigheid. Op zich is dit lofwaardig. De Scps had er echter ook de conclusie aan kunnen verbinden dat degenen die zulke modellen voorstelden de zaak belazerd hebben, want ook zelf die inbreuk op de evenredigheid hadden kunnen constateren, zodat het überhaupt niet nodig was om naar zulke modellen te kijken. Maar de Scps houdt zulke misleidende auteurs in ere, en dit is meer dan beleefdheid, want de Scps weigert ook te erkennen dat de Scps zelf een verkeerde samenstelling heeft, met gebrek aan deelname van empirische wetenschappers. Het is zoals homeopathen elkaar in ere houden, in plaats van dat zij elkaar kritiseren dat zij maar homeopathen zijn.

Democratische rechtsstaat

Scps p12: “Democratie en rechtsstaat zijn twee begrippen die nauw met elkaar zijn verbonden.” De Scps noemt dat “pijlers”, en spreekt ook veelvuldig over de “democratische rechtsstaat”. E.e.a. is wellicht begrijpelijk voor een commissie die vooral uit juristen en enkele politicologen bestaat, en een politicologie die als geesteswetenschap deels uit het staatsrecht is ontstaan (en die t.a.v. kiesstelsels nog niet de kwaliteit van een daadwerkelijk empirische wetenschap heeft bereikt). Mij komt dit dwepen met “democratische rechtsstaat” als historisch gedateerd over. Dit dwepen krijgt ook een klank mee dat je er niet over kunt meepraten wanneer je geen opleiding staatsrecht of politicologie hebt of praktiserend politicus (Remkes) bent. Echter, we hebben ook een economie van de democratie (public choice) en een democratische economie, en een onderwijs-democratie en democratisch onderwijs, een culturele democratie en democratische cultuur, en ga zo maar door. In mijn Advies aan de Scps gaf ik aan dat juist de rol van de wetenschap voor de democratie in de knel kwam. Het is niet onmogelijk dat de Scps hiervoor blind is omdat de samenstelling van de Scps zo eenzijdig is. Me dunkt dat een goed functionerende Scps heel goed in staat zou zijn om dat taalgebruik over de “democratische rechtsstaat” in te perken, en toch heel goed adviezen kan geven voor versterking van de democratie, zoals ook het inperken van de rol van juristen en tegelijk het bevorderen dat de politicologie over kiesstelsel juist wel een empirische wetenschap wordt.

(…) is er volgens de staatscommissie op dit moment geen reden om te spreken over een crisis in de democratie” (p19). Maar er is wel censuur van wetenschap sinds 1990 door de Nederlandse overheid, en nu ook een betonnen muur door de Scps zelf. Een mooie “democratie” hoor, wanneer wetenschap onmogelijk wordt gemaakt en men dweept met politicologen die de astrologie nog niet ontgroeid zijn.

Nationaal-socialisme

De Scps p28: “de grootste groep kiezers (ten minste een derde van het electoraat) is sociaaleconomisch links en cultureel rechts, bij de Kamerleden is dat percentage slechts 14%”. In kiezersonderzoek wordt soms wel opgemerkt dat dit kwadrant geen politieke partij kent, zodat een nieuwe politieke partij hier kansen zou kunnen maken. Het zal geen toeval zijn dat deze combinatie van kenmerken aansluit op de nationaal-socialisten van Anton Mussert (1894-1946) met zijn antisemitisme dat verder ontaardde in collaboratie en de holocaust. Zowel SP als PVV en misschien ook 50Plus vissen uit deze vijver en sinds kort ook het warhoofd Baudet, maar gangbaar vermijden zij de nationaal-socialistische retoriek, omdat deze natuurlijk snel aan de holocaust zal herinneren. In Duitsland hebben nu Lafontaine en Wagenknecht een initiatief “Aufstehen“.

Wat zegt de Scps erover ? P28:

“De staatscommissie acht het in dit licht voorstelbaar dat het te voeren regeringsbeleid nu en dan niet wordt gesteund door een meerderheid van de kiezers.”

Dit is een eufemisme waar de Scps zich voor zou moeten schamen. De Scps verwijst hier expliciet naar de Ostrogorski-paradox en niet naar de holocaust, en dat is een verkeerde voorstelling van zaken. Met verwijzing naar de holocaust en de keuze voor Europa om weer een oorlog te voorkomen zou de Scps beter kunnen concluderen dat het maar goed is dat dit kwadrant geen politieke partij kent, zodat dit kwadrant gedwongen is over de eigen grenzen heen te kijken. Zulks hoeft geen politiek oordeel te zijn want je kunt dit als feit omtrent de Nederlandse politieke situatie constateren.

Kabinetsformatie

De Tussenstand p59 bevat een grafiek uit een (niet gepubliceerde) presentatie van Henk van der Kolk voor de Scps. Van der Kolk herhaalt de ideologie dat het districtenstelsel tot meer invloed van kiezers op de kabinetsformatie zou leiden. Zie 1W1V sectie 3.6 pag 39-40 dat dit analytisch onjuist is. De grafiek suggereert een uitruil van mate van afspiegeling en invloed op kabinetsformatie. De assen tonen geen getallen, maar suggereren wel dat je dit kunt afschatten, zeg met 50% en 25%, maar onduidelijk blijft wat precies gemeten wordt. Voor empirische wetenschap is dit onvoldoende maar misschien komt er nog een publicatie aan.

De Scps denkt aan een direct gekozen formateur.

  • Het eerste probleem is dat zo’n persoon wellicht niet slaagt, en dat doet afbreuk aan kiezers die dachten op zo’n manier invloed uit te oeferen. Of de formateur zit er een beetje voor spek en bonen bij en sanctioneert ieder kabinet dat er komt, en claimt dit als zijn of haar resultaat, en dan vragen kiezers zich af waar de poppenkast voor nodig is. Of de politieke partijen kloppen de positie van de formateur op zodat deze figuur zich ontwikkelt in de richting van een gekozen premier met dus afbraak van de representatieve democratie.
  • Het tweede probleem is de wijze hoe zo’n persoon te kiezen. Zie mijn boek Voting Theory for Democracy (VTFD) met de paradoxen van stemprocedures voor een enkele zetel. De Scps noemt de mogelijkheden van stemmen in twee ronden en de single transferable vote, maar die methoden zijn niet zonder paradoxen. Men belooft in het Eindrapport met een finale afweging te komen, maar wil dat blijkbaar doen zonder VTFD te gaan lezen, met aldus grote kans dat Nederland ook hier in het pak wordt genaaid.

De Scps is bereid om een formateur te laten kiezen met een methode die een president waardig is, voor iemand die alleen enkele maanden de handjes van politici moet vasthouden alsof zij het niet zelf kunnen. Je kunt erom huilen of je kunt erom lachen.

Politieke blokvorming

Scps p63:

“Politieke blokvorming al dan niet in de vorm van stembusakkoorden bevordert de politieke duidelijkheid vóór de verkiezingen en vergroot daarmee de invloed van de kiezer op de kabinetsformatie.”

Dat is maar de vraag. Zie mijn weblogtekst over het schrikken over Daudt. Een democraat wil geen blokvorming per se maar wil juist afspiegeling en het sluiten van compromissen over de politieke verschillen heen. Duidelijkheid bij verkiezingen is nodig over de beginposities maar iedereen zou moeten weten dat je ruimte moet laten voor het proces van onderhandelingen. De Scps weet dit niet, en bestaat blijkbaar uit nakomertjes van de polariserende jaren zestig. Mijn Advies aan de Scps was om te gaan denken aan afspiegelingskabinetten – maar blijkbaar stuit dit op een betonnen muur want men bespreekt het niet eens.

Politieke partijen

De Tussenstand p71-77 leest als een concept-artikel voor een tijdschrift, met mogelijkheden en mitsen en maren. Het leest niet als een afweging die je van een commissie verwacht. Hoe dan ook blijkt dat de Scps denkt aan een wet op de politieke partijen. In mijn Advies heb ik erop gewezen dat sommige politieke partijen een dubieuze interne structuur hebben, zodat het verstandig is om te gaan verlangen dat partijen aan een democratisch statuut voldoen. Wellicht kan dit ook hier worden ondergebracht.

P77-82 is speculatief t.a.v. de digitale toekomst terwijl dit toch een belangrijke taak voor de Scps was.

Hoge Raad, Constitutioneel Hof en Economisch Hof

Wat de Scps over een Constitutioneel Hof stelt (p82-87) spoort met mijn Advies terzake.

De Scps negeert echter mijn advies om ook aan een Economisch Hof te denken.

De Scps heeft een suggestie van mr Corstens, oud-president van de Hoge Raad, ontvangen om paal en perk te stellen aan politieke benoemingen van de Hoge Raad, en overweegt diens suggestie over te nemen (p87). De Scps vindt het dan blijkbaar wel acceptabel dat het kabinet een niet-wetenschapper benoemde tot directeur van het Centraal Planbureau, welk instituut claimt een wetenschappelijk instituut te zijn.

Het voorstel van mr Corstens is zwak. Voor zulke benoemingen, zoals voor de Hoge Raad of Economisch Hof, kan men zich voorstellen dat de voordracht door Raad of Hof zelf wordt gedaan, en dat de Tweede Kamer mag afwijzen. Zie het concept-amendement in DRGTPE p279-281.

Onderwijs over democratie

De Scps p88-91 filosofeert over het onderwijs in democratie. Voor een commissie die zelf zoveel steken in het democratisch denken laat vallen, en die blijkbaar onvoldoende studie van democratie heeft gemaakt, en zelfs geen interesse voor relevante nieuwe informatie toont, past bescheidenheid. Wel is er reden om aan het onderwijsveld te vragen hoe men het onderwijs t.a.v. democratie denkt te kunnen bevorderen.

Versterking van het parlement

De Tussenstand p94-120 bespreekt mogelijkheden tot versterking van het parlement, bestaande uit Eerste en Tweede Kamers.

Het is wederom vooral het herhalen van stappen. Ik wijs andermaal op mijn suggestie om de verkiezingen voor Eerste en Tweede Kamers, gemeenten, provinciale staten en zo mogelijk het Europees Parlement op dezelfde dag te houden, en de Eerste Kamer ook direct te kiezen. Het “probleem” van een verschillende politieke samenstelling van Eerste en Tweede Kamers zal zich dan ook minder voordoen. Overigens kunnen we beter aan afspiegelingskabinetten gaan denken, zodat het probleem van verschillende politieke verhoudingen in de twee kamers sowieso al minder relevant is.

De Scps wijst directe verkiezing af: “Dat heeft echter weer als risico dat de senaat op den duur steeds meer als overbodig wordt beschouwd.” Dit risico wordt uit de duim gezogen. Er is geen enkel bewijs dat indirecte verkiezing leidt tot een beter functioneren van de Eerste Kamer. Er is duidelijk aangegeven dat de Kamers verschillende taken hebben (ook al zijn beide taken politiek van aard). Die verschillende taken staan. Hoezo zou hier verwarring ontstaan ?

De Scps p98: “(…) de invoering van een zogeheten terugzendrecht: de bevoegdheid van de Eerste Kamer om een wetsvoorstel terug te zenden naar de Tweede Kamer. Er ontstaat dan een communicatiekanaal tussen de Kamers. De Eerste Kamer kan haar bezwaren direct overbrengen zonder afhankelijk te zijn van de regering.” Hier openbaart zich een wonderlijke denkwereld. De Eerste Kamer kan een wetsvoorstel reeds afwijzen, wat feitelijk neerkomt op terugzenden, omdat na afwijzing de Tweede Kamer weer een nieuwe versie kan indienen. Vervolgens kan de Eerste Kamer het eigen commentaar op schrift stellen (bjiv. de handelingen) en via een bode aan de Tweede Kamer sturen, zonder dat de regering eraan te pas komt. Aldus bestaan reeds de mogelijkheden die de Scps met een “terugzendrecht” wil regelen. Mogelijk zijn het juristen binnen de Scps die iets netjes willen opschrijven. Maar juristen hebben ook toegestaan dat de Eerste Kamer een novelle kon gaan maken, wat volgens de Grondwet dan eigenlijk verboden zou zijn. Juristen doen gewoon wat ze willen zolang ze ermee wegkomen, en hun grootste belang is dat ze uren kunnen declareren.

Voor een grondwetswijziging in tweede lezing is nu tweederde meerderheid voor de Eerste en Tweede Kamers apart vereist. Scps p100: “Daar komt bij dat de huidige procedure, waarin een derde deel van de Eerste Kamer een Grondwetswijziging kan blokkeren, de Eerste Kamer als instituut kwetsbaar maakt.” De term “kwetsbaar” lijkt me een misrepresentatie. Wanneer de Tweede Kamer bijvoorbeeld de Eerste Kamer wil afschaffen, dan kan de Eerste Kamer dit nu met eenderde tegenhouden, en dat is juist een sterke positie. De Scps stelt voor dat een verenigde vergadering wordt gehouden. In dat voorstel is 2/3 van 75+150 oftewel 150 zetels voldoende. Wanneer de Tweede Kamer unaniem de Eerste Kamer wil afschaffen, dan kan de Eerste Kamer dit in deze situatie niet meer tegenhouden. Waarom noemt de Scps dit niet ? Mogelijk volgt de Scps hier een salami-techniek.

Over de parlementaire enquête stelt de Scps (p104): “Dit instrument wordt door de Kamer ingezet om een oordeel te vellen over politieke fouten uit het verleden en daaruit lessen voor de toekomst te trekken.” Dit is een misvatting. Een parlementaire enquête is een instrument voor het verzamelen van informatie voor wetgeving. Dit is niet per se gericht op “politieke fouten”, ook al is er een neiging gegroeid om dit zo te gaan denken. De Scps verwijst hier naar een studie door S.C. Loeffen 2013 maar daar hoeft niet de grootste wijsheid te staan. Wel is het mooi dat de Scps de inzet van meer instrumenten voor onderzoek toejuicht, en ik heb al enkele onderwerpen voor parlementaire enquêtes voorgesteld.

Subsidiariteit

P107-112 over decentralisaties en p112-120 over Europa snijden belangrijke onderwerpen aan, maar weer in herhaling en inmiddels heeft de lezer er geen vertrouwen meer in. De Scps neemt een discutabel onderscheid door Luuk van Middelaar t.a.v. “regelpolitiek” versus “gebeurtenissenpolitiek” over, en gaat deze mooie woorden dan toepassen alsof de lezer met nieuwe inzichten verblijd kan worden, maar het gebaar sterft in overbodigheid. De Scps wijst op de motie-Duthler waarin de Tweede Kamer aan de Scps een speciale taak geeft over Europa. Dit lijkt me vooral een onderdeel te zijn van de Nederlandse saga omtrent de EU. Eerst werd het Europees Parlement opgericht om Europese Commissie en Europese Raad te controleren (of althans te becommentariëren), en nu ontdekt het Nederlandse parlement dat deze aanpak onvoldoende is, en dat het deze controle zelf moet gaan doen maar ook het Europese parlement erbij moet gaan controleren.

Opmerkelijk is de visie van de Scps dat de Grondwet niet aangepast hoeft te worden wanneer deze anders kan worden uitgelegd (p119): “De staatcommissie overweegt in dit verband dat een ruimere uitleg van artikel 91, derde lid, Grondwet dan thans het geval pleegt te zijn, een bruikbaar alternatief zou kunnen zijn voor het initiatiefvoorstel-Van der Staaij (…)”. Dit klinkt als “we zijn nog steeds getrouwd maar ik leg het iets anders uit”. Juristen weten zich soms heel populair te maken.

Literatuur

Colignatus (2014), “An economic supreme court”, RES Newsletter issue 167, October, pp. 20-21, http://www.res.org.uk/view/art7Oct14Features.html
Colignatus (2017a), “Voting theory and the Brexit referendum question”, RES Newsletter, Issue 177, April, pp. 14-16, http://www.res.org.uk/view/art4Apr17Features.html
Colignatus (2017b), “Great Britain’s June 2017 preferences on Brexit options”, RES Newsletter, Issue 177, October, http://www.res.org.uk/view/art2Oct17Features.html
Colignatus (2017c), “Dealing with Denial: Cause and Cure of Brexit”, https://boycottholland.wordpress.com/2017/12/01/dealing-with-denial-cause-and-cure-of-brexit/
Colignatus (2018a), “One woman, one vote. Though not in the USA, UK and France”, https://mpra.ub.uni-muenchen.de/84482/
Colignatus (2018b), “Comparing votes and seats with cosine, sine and sign, with attention for the slope and enhanced sensitivity to inequality / disproportionality”, https://mpra.ub.uni-muenchen.de/84469/
Colignatus, (2018c), “An overview of the elementary statistics of correlation, R-Squared, cosine, sine, Xur, Yur, and regression through the origin, with application to votes and seats for parliament”, https://doi.org/10.5281/zenodo.1227328
Colignatus, (2018d), “An overview of the elementary statistics of correlation, R-Squared, cosine, sine, Xur, Yur, and regression through the origin, with application to votes and seats for parliament (sheets)”, Presentation at the annual meeting of Dutch and Flemish political science, Leiden June 7-8, https://zenodo.org/record/1270381
Colignatus, (2018e), “The solution to Arrow’s difficulty in social choice (sheets)”, Second presentation at the annual meeting of Dutch and Flemish political science, Leiden June 7-8, https://zenodo.org/record/1269392

Advertenties

Over Thomas Colignatus

Thomas Cool is an econometrician and teacher in mathematics in Scheveningen, Holland. He uses the name Colignatus is science to distinguish this from his other activitities in commerce or politics. His personal website is http://thomascool.eu
Dit bericht werd geplaatst in Anatomie van Nederland, Democratie en getagged met , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.